Durf tegendraads te zijn

Guus Kuijer:

Als je iets niet snapt, kun je bijvoorbeeld zeggen: ‘Ik snap het niet.’ Je kunt ook zeggen: ‘Ik word er geen wijs uit.’ Je hebt mensen die overal wijs uit willen worden. Zulke mensen zijn filosoof. Filosofen willen weten waarom alles is zoals het is. Daarom stellen ze vragen.[i]

Ramsey Nasr, Dichter des Vaderlands tot januari 2013, schreef op 9 mei jl. een lezenswaardig beschouwing naar aanleiding van wat ‘het rendementsdenken’ is gaan heten:  Manager worden? Leer dan filosofie en geschiedenis.

De huidige tijd heeft meer vrij denkers nodig. Mensen die de gevestigde publieke opinie in twijfel trekken. ‘Vakken als kunst en klassieke talen dienen een minstens zo belangrijke doel als nut en rendement tezamen: ze vormen hun noodzakelijk tegendeel. (…) Het is de ultieme relativering. ‘  schrijft Nasr en hij besluit met:

Sinds de terroristische aanslagen in Europa, sinds de gruwelijke onthoofdingen en verbrandingen door IS ben ik er meer dan ooit van overtuigd geraakt dat ons onderwijs een poging moet doen om een kind/leerling/student naast kennis ook zaken als meerduidigheid, nuance, empathie en verbeelding bij te brengen – niet omdat dat zo nobel of chic of menslievend is, maar omdat onze maatschappij anders morgen niet meer bestaat.

Waarheid met een grote W en Rendement met een grote R vormen vandaag onze grootste bedreiging. Zij doden de verbeelding in ons.

Ziedaar de paradox. Juist de opleidingen met een minder directe toepassing en van ogenschijnlijk kleiner nut vormen onze grootste bescherming tegen kortzichtigheid en fundamentalisme.

Wat we nodig hebben zijn zachte, onpraktische vakken. We moeten studenten niet pushen om louter te doen waar ze goed in zijn of waar het geld valt te halen, maar waar ze gelukkig in zijn.

We moeten afleren om alsmaar nuttig te willen zijn en leren om gelukkig te zijn. Kuijer schreef al in 2009:

 ‘Hoogopgeleid zijn betekent dat je op zijn minst HBO hebt gedaan, maar dat hoeft in ons onderwijssysteem niet meer te betekenen dan dat je vlijtig je lesjes uit je hoofd hebt geleerd en opgezegd bij je examen. Omdat ik milder ben geworden, formuleer ik het mild. Vroeger had ik het als volgt gezegd: het is in ons onderwijssysteem mogelijk er even stom uit te komen als je erin bent gegaan, maar dan gediplomeerd. Ik vind dat nu wat cru uitgedrukt.’ [ii]

In termen van het rendementsdenken hebben al die gediplomeerden een 100 % score behaald. Maar hebben ze leren denken? Wel als ze een studie hadden gekozen die hun interesse had of kreeg en tot passie dreef. En bij dat opwekken van interesse en passie speelt het onderwijs een belangrijke rol. Kuijer maakte mij optimistisch en blij, om niet te zeggen, gelukkig. De ondertitel van het boek was dan ook ‘Een zelfhulpboek’.

Van het essay van Henri Beunders in ‘De Groene Amsterdammer’: Politieke correctheid, of het einde van het denken  of ‘Het vrije woord in 2015 na * beep*  werd ik zoals u uit de titel misschien ook wel kunt begrijpen, wat minder vrolijk.

Ik besloot dat stuk maar niet als onheilsprofetie te zien maar als waarschuwing. Gezien de uitspraak van John Stuart Mill die Beunders als inleiding gebruikt: ‘Een tijd ontdaan van geloof, maar doodsbenauwd voor scepsis.’, plaatst hij zijn stuk in de sleutel van het verdwijnen van de Godsdienst als bron van Waarheid, Veiligheid en Zekerheid.

De grote verwarring over de grenzen van de vrijheid van meningsuiting komt, zeker in Nederland, voort uit de gedachte dat terughoudendheid en het niet-kwetsen vormen van noodzakelijk fatsoen en beschaving zijn.
Terwijl politieke correctheid, onder het mom van tolerantie en empathie met minderheden, in feite een vorm van intolerantie is, zo niet ‘zero tolerance’, of zelfs regelrechte tirannie. Waar komt die idiote gedachte
vandaan dat de taal het belangrijkste is op aarde en voor ergere trauma’s zorgt dan een cruise missile of een drone die op je dak wordt gedropt?

Beunders geeft de Franse filosofen uit de jaren zestig daarvan de schuld (zie zijn essay 3e blad/blz. 42 van de Groene). Beunders stelt vervolgens vast dat wij onszelf hebben onderworpen aan een beklemmende vorm van (zelf)censuur, Alexis de Tocqueville waarschuwde in dat verband voor de ‘tirannie’ van de publieke opinie en haar neiging om minderheden te stigmatiseren of het zwijgen op te leggen.’ En dat is precies wat nu gebeurt. Nu de Godsdienst niet meer de functie van Weg-wijzer vervult richting de Waarheid en het Leven, wijzen we ‘de publieke opinie’ aan die ons moet gaan vertellen wat wij moeten vinden en denken en vooral ook wat wij net meer mogen zeggen en denken bijvoorbeeld over ‘Zwarte Piet’ of de radicale Islam. Ons oordeel over goed en fout berust niet langer op ‘de moraal’,  concludeert Beunders

maar maar op de oordelen van wetenschappers, therapeuten en artsen over wat zij ‘het juiste gedrag’ of ‘de juiste taal’ vinden. Met de slachtoffers of actievoerders als aanjagers komen die oordelen in talkshows aan de
orde en zo ontstaat er een ‘publieke opinie’ die iets vindt. Vaak verhult die nieuwe intolerantie zich in de taal van zorg en ondersteuning, in de gedaante van ‘het goede’, dat wil zeggen: vaak is de boodschap dat het
verbod de mensen wil beschermen tegen negatieve invloeden, inclusief die van henzelf.

En zeker zodra onze veiligheid in het geding komt, lijken wij geneigd onze vrijheid (van meningsuiting) vrijwillig weg te geven aan de ‘Gedankenpolizei‘. Beunders stelt ons tot slot de vraag: ‘wie geef ik de macht om voor mij te bepalen wat ik wel en niet mag lezen. zien, horen?’ Ik zou die vraag met een indringende oproep willen beantwoorden:

Durf tegendraads te zijn, tegen de ‘heersende politieke opinie in’ durf van die politiek correcte pad af te stappen, Blijf vragen stellen, durf in twijfel te trekken, durf zelf te twijfelen. En neem inderdaad geen genoegen met dat rendementsonderwijs dat Kuijer beschrijft maar eis dat onderwijs van Nasr.

[i] Zo begint ‘Hoe word ik gelukkig’ van Guus Kuijer  Athenaeum – Polak & Van Gennep, Amsterdam 2009

[ii] Kuijer t.a.p. blz. 153

De rechtsstaat in het licht van de meidagen. Laat dat licht niet doven.

foto aangetroffen op https://ejbron.wordpress.com

Democratie geen garantie voor rechtvaardigheid

De democratie alleen garandeert nog geen rechtvaardige samenleving. Hitler kwam op democratische wijze aan de macht.

Toen Piet Hein Donner als Minister van Justitie tijdens een interview stelde, dat als in Nederland de vereiste meerderheid vóór invoering van de Sharia zou zijn, die invoering mogelijk moest zijn, leverde dat geshockte reacties op.

Deze twee voorbeelden van de werking van het democratische proces roepen vragen op: Bepaalt de wil van de meerderheid “het recht”? Heeft de wetgever, die wetten maakt, met behulp van de democratische meerderheden altijd het laatste woord?

Ik vrees dat de politieke “machers”  die vragen graag bevestigend willen beantwoorden. Politieke doeners hebben weinig op met het recht. Het recht is, in de ogen van politiek bestuurders, te vaak een obstakel bij het doorvoeren van krachtdadige plannen. Het recht is immers ingewikkeld en genuanceerd, “enerzijds, anderzijds”. Bestuurders willen inderdaad het laatste woord.

Wetgeving dient helaas steeds minder om het recht vast te leggen en meer als dienst aan de (toekomstige) kiezer. Als “hardwerkend Nederland” minder fraudeurs en meer veiligheid(sgevoel) wil, dan regelen we dat, ja, democratisch. Dus niet piepen over verlies aan vrijheid, privacy of rechtsbescherming. Wie niets te verbergen heeft, heeft van de overheid ook niets te vrezen.

Sesam open u

Niet toevallig noemt de schrijver Tommy Wieringa in de vijfde Kousbroeklezing, gepubliceerd in De Gids de woorden “fraude” of “terrorisme” de Sesam-open-u van de privacy; noem ze en ons privéleven wordt openbaar en onze grondrechten verdampen. Want zelfs die grondrechten kunnen worden “weggestemd”. Daarom hebben we naast de puur democratische controle, nog een grensbewaker nodig, de rechtsprekende macht.

Ook Maurits Martijn van “De Correspondent” nam deze ontwikkeling waar, gezien zijn stuk: “Hoe fraude het nieuwe terrorisme werd”. Hij schrijft: “De publieke opinie is, net als bij terrorisme, een belangrijke aanjager van anti-fraudebeleid. Mediadruk leidt tot maatschappelijke druk leidt tot politieke daadkracht. Of de nieuwe maatregelen ook bewezen effectief zijn, is van ondergeschikt belang. Spierballen moeten worden getoond, niet in de laatste plaats vanwege de vermeende ‘afschrikwekkende werking’ ervan.” . Tommy Wieringa laat zien hoe de overheid de bedreiging van een derde: de terrorist, de fraudeur of meer in het algemeen, de “onmaatschappelijke” bijvoorbeeld een “free rider” aanwijst, als het gevaar dat ons schade kan toebrengen, als de overheid, tenminste niet ingrijpt. En met dergelijke bezweringen geven wij, argeloze burgers, onze vrijheid prijs, in ruil voor die bescherming tegen die “afwijkende, niet hard werkende (niet) Nederlander”.     De overheid als maffia-beschermer van de bedreigde burger. En of de beschermingsmaatregelen van de overheid nu effectief zijn of niet, in strijd komen fundamentele rechtsbegrippen zoals het recht op privacy, de premisse van onschuld, onevenredigheid of rechtsongelijkheid, is bijzaak. De goedwillende burger wil het en de goedwillende burger heeft toch zeker niets te verbergen of te vrezen van de overheid?

Doorgeschoten dadendrang

In zijn recente column “De Rechtsstaat” somt NRC journalist, Folkert Jensma een aantal voorbeelden op van de te ver doorgeschoten dadendrang van de overheid, die in verband kunnen worden gebracht met die ook door Wieringa en Martijn gesignaleerde ontwikkelingen. De hoge verplichte sancties binnen de sociale zekerheid, ook wanneer iemand puur bij vergissing iets verkeerd “aanvinkt” in een, via het internet in te vullen UWV (controle) formulier. Het alcoholslot als bestuursmaatregel naast een strafrechtelijke sanctie, de dataretentie, het langdurig bewaren van surf- en belgegevens. Maar ook de trajectcontroles, waarbij toch minutenlang of kilometers lang, burgers/automobilisten door de overheid worden gevolgd, al bijna vervolgd, zonder dat er nog enige verdenking tegen hen bestaat En ook die data worden weer te lang bewaard. Een schrijnend voorbeeld van een digitale toepassing van de regels, zonder nuancering, menselijke maat, of rechtvaardigheidstoets is te lezen in de NRC van 28 april jl.Daar beschrijft Ingmar Vriessema in wat voor juridische ellende Thierry Ober uit Andijk verzeild is geraakt als hij na een ongeluk, zijn Alfa naar de sloop moet brengen maar geen vrijwaringsbewijs kreeg. Voor de overheid stond de Alfa nog steeds op zijn naam, gevolg: volautomatisch gegenereerde boete op boete van de boetefabriek CJIB, Agenten aan de deur die hem op zouden komen halen, dreigende gijzeling. Kafka had het niet kunnen bedenken. Na bij alle instanties bot gevangen te hebben, na € 20.000,– aan boetes en rekeningen te hebben betaald, bood uiteinde lijk de Nationale Ombudsman hulp. De Alfa-zaak werd ingebracht in het kentekenoverleg. De Alfa werd van zijn naam gehaald. Je zou het, het rendementsdenken van de overheid/wetgever kunnen noemen. De drang om, uit electorale overwegingen, de vraag van de hardwerkende Nederland, om de klaplopers aan te pakken, te beantwoorden. Zonder pardon, liefst ook zonder dat er en rechter aan te pas hoeft te komen. Want die “hard and fast rules” behoeven geen uitleg of nadere toetsing. Dat dat het bestuur zelf wel af, vandaar die toename van bestuurlijke sancties.

Zo koppig blijkt de overheid

Steeds meer gezaghebbende juristen en/of juridische periodieken vragen aandacht voor die steeds openlijker beleden weerstand die bestaat onder politici en bestuurders tegen die grensbewaking door de onafhankelijke rechter. Ik noemde al de ex Nationale Ombudsman, Alex Brenninkmeijer, mr. Folkert Jensma, maar ook het scheidend lid van de Hoge Raad mr. Coen E. Drion, in zijn artikel Balans in de rechtsstaat, het laatste Advocatenblad van mei 2015 met een coverstory ” Zo koppig blijkt de overheid”  met de ondertitel die voluit luidt: “Een minister die zijn ambtenaren verbiedt om te getuigen voor de rechter, een andere – inmiddels ex-minister – die categorisch rechterlijke vonnissen negeert, lagere overheden die weigeren geldend recht toe te passen, Kamerleden die termen als ‘foute rechters’ in de mond nemen. De overheid lijkt zichzelf meer dan eens boven de wet te plaatsen. Waarom?”

Tja, omdat politici “in contole” willen zijn, het laatste woord willen hebben, hun politieke agenda willen realiseren,  wel met behulp van  de democratische meerderheden maar liefst zonder die andere tegenkracht van het checks and balances systeem van de rechtsstaat, de rechterlijke macht. Rechter die meer oog hebben voor rechtmatigheid dan voor doelmatigheid, die zorgvuldig nuanceren en inderdaad toetsen aan mensenrechten. Volgens de oud Nationale Ombudsman, Brenninkmeijer, is het geheim van onze democratische rechtsstaat: de gedeelde rechtsorde, waarin soms de democratie het voortouw heeft maar waarin soms ook de rechtsstatelijke kant, bijvoorbeeld de mensenrechten, op een gegeven ogenblik een grens stelt aan het naar eigen goeddunken handelen van de wetgever.

Rechtspreken onder barbaren

De advocaat en schrijver Abel Herzberg (1893-1989) zag zelfs in de barbarij van Bergen-Belsen, tijdens zijn gedwongen verblijf daar, een rol weggelegd voor de rechtspraak. In de functie van Prokurör Generale, aanklager, nam hij, als Jood, deel aan de rechtspraak die de gevangenen daar in het kamp zelf hadden georganiseerd. Trudeke Sillevis Smitt schrijft er mooi stuk over in het hierboven al genoemde Advocatenblad, met de titel: “Rechtspreken onder barbaren“. Herzberg zag daar toen heel goed, volgens Sillevis Smitt, het gevaar een instrument te worden van de Duitsers. Maar er moest toch iets worden gedaan, vond hij, tegen de ontmenselijking van de kampbewoners, die elkaar elke kruimel brood bevochten. En het was belangrijk ‘dat er tenminste ergens praktisch naar Recht en niets dan Recht werd gezocht en Recht en niets dan Recht werd toegepast, zonder enig eigenbelang en zonder aanziens des persoons’. Sillevis Smitt beschrijft Abel Herzberg in haar stuk, althans zo leg ik haar beschrijving van hem uit, als zo’n wijze kritische denker, een vleesgeworden tegenkracht, tegen te ver doorgeschoten rendements- of doelmatigheidsdenken. Iemand aan wie het adagium “jeder prinzip führt zum teufel” zou kunnen worden toegeschreven. Nelleke Noordervliet noemt als munters van deze uitspraak: Luther, Goethe of Bertold Brecht, andere noemen ook Nietzsche.

Dan dooft het licht

Die duivel loert niet alleen in dictatoriale of Nazistisch geleide samenlevingen maar ook in onze democratische rechtsstaat, Dus zelfs onze keurige fatsoenlijke wetgever, die zich kan beroepen op een democratische meerderheid, moet kunnen worden teruggefloten door de rechterlijke macht. En ook op het speelveld van de democratische rechtsstaat blijf je van de (scheids- en grens)rechters af. Maak je die en dus ook het recht zelf, ondergeschikt aan de politiek, en die tendensen bestaan dus ook in onze hedendaagse democratie (zie “Zo koppig blijkt de overheid“)  dan dooft uiteindelijk het licht (vrij naar Van Randwijk).

Die wijsheid van mr. Abel Herzberg

Toch nog iets, na die eigenlijk afsluitende verwijzing naar Van Randwijk. Smitt geeft in haar artikel zo’n indrukwekkend voorbeeld van die wijsheid van Abel Herzberg. Dat voorbeeld wil ik hier niet onvermeld laten. In een gemengd gezelschap van Joden en christenen antwoordde hij op de vraag van een Joodse vrouw aan hem: ‘Wat moeten wij doen om te voorkomen dat onze kinderen weer slachtoffers worden?’ Herzberg antwoordde: ‘Dat is het probleem niet, mevrouw. Het probleem is hoe wij kunnen voorkomen dat onze kinderen beulen worden.’ Ik begon hier met het formuleren van een antwoord op die laatste vraag maar bedacht me op tijd dat dat wat aanmatigend zou zijn.

Ontslag in de polder

We hebben net de Waterschapverkiezingen achter de rug. Waterschappen behoren tot de oudste bestuursorganen van ons land. Aanvankelijk waren het samenwerkingsvormen tussen meerdere buurtschappen. Gezamenlijk regelden de dorpen of buurtschappen de waterhuishouding in hun gebied en bij dreigende overstromingen werden ook de dijken bewaakt en zo nodig met de bekende zandzakken verstevigd door burgers, boeren, buitenlui en grondbezitters. Die gezamenlijkheid, dat gezamenlijke doel bescherming tegen het water, dwong tot overleg en compromissen. Daarom wordt wel gezegd dat die uit de dertiende eeuw stammende Waterschappen letterlijk aan de basis stonden van ons poldermodel.

Behalve op het gebied van de waterhuishouding speelt dat poldermodel ook een belangrijke rol bij de ontwikkeling van ons arbeidsrecht, al kwam een van de belangrijkste regelingen op dit gebied niet bepaald polderend tot stand. Het op 5 oktober 1945 ingevoerde Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen (BBA) is geen wet maar een Koninklijk Besluit, uitgevaardigd door de toenmalige regering zonder dat er een parlement aan te pas kwam. Dat kon ook niet want er was toen, zo vlak na de Tweede Wereldoorlog, nog geen gekozen parlement. Toch zou dit besluit het ruim 100 jaar uithouden. Op 1 juli 2015 vervalt het BBA en wordt het vervangen, zoals het hoort, door weer een echt “polderproduct”. Op 11 april 2013 sloten de sociale partners, de vakbonden en werkgeversverenigingen een sociaal akkoord over het ontslagrecht. Dit akkoord was een reactie op de plannen van het PVDA-VVD kabinet en is in ijltempo tot wet geworden, die nu dus op 1 juli 2015 in werking treedt.

Deze column leent zich niet voor een uitvoerige bespreking van de wet, maar de  belangrijkste punten zijn:

Voor de ontslagene wegens bedrijfseconomische omstandigheden of langdurige arbeidsongeschiktheid blijft eigenlijk de oude BBA procedure gelden: er moet een ontslagvergunning worden aangevraagd bij het UWV. De kantonrechter behandelt beëindigingen wegens verstoorde arbeidsverhoudingen of disfunctioneren.

Nieuw is dat alle werknemers bij ontslag recht krijgen op een ‘transitievergoeding’ ongeacht of de UWV- of de kantonrechtsprocedure wordt gevolgd. Nu, tot 1 juli 2015,  staat een werknemer die de UWV-route doorloopt, na het ontslag nog met lege handen.

De uitkomst van de formule waarmee de transitievergoeding wordt berekend komt grofweg 2/3 lager uit dan de kantonrechtersformule. Ons ben zûnig in de polder.

Ben ik mijn broeders hoeder

“Ben ik mijn broeders hoeder?” 

Nadat Kaïn zijn broer had doodgeslagen, zo lezen wij in het Bijbelboek Genesis, vraagt God hem waar zijn broeder is. Kaïn antwoordt dan met de vraag: “Ben ik mijn broeders hoeder?”

Of volgens de “Biebel in et Stellingwarfs: “Moet ik seins op mien breur passen?” (4:9)

Brigitte-Maria-Mayer-Kain-und-Abel1-728x429

Later werd die Bijbelse vraag meer gezien als een soort “ieder voor zich en God voor ons allen”. Maar wanneer wordt de zorg voor een ander, voor andermans belangen, een plicht? Die (rechts)vraag moest de rechter ruim honderd jaar geleden beantwoorden in de voor juristen klassieke zaak, “de Zutphense waterjuffer”.

In de nacht van 4 op 5 januari 1909 vroor het zo hard in Zutphen, dat op een zolder een waterleiding knapte. Het vrij gekomen water stroomde een zolder van een naastgelegen pand binnen alwaar een leervoorraard was opgeslagen. Die leervoorraad zou ernstige waterschade oplopen. Dat kon voorkomen worden door de hoofdkraan dicht te draaien. Die bevond zich echter in het perceel van de buren. Daarom smeekte de eigenaar van de leervoorraad, zijn buurvrouw, die hoofdkraan dicht te draaien. De buurvrouw vertikte dat. De eigenaar van de leervoorraad sprak zijn buurvrouw aan tot betaling van zijn schade van maar liefs fl. 9,45. Er werd tot de Hoge Raad (HR) doorgeprocedeerd. De HR kon echter geen geschreven regel vinden op grond waarvan de buurvrouw aansprakelijk gesteld kon worden voor de waterschade.

Sindsdien is er veel veranderd in het recht. Dat “ieder voor zich” gedrag wordt zelden meer geaccepteerd. De maatschappij is nu veel complexer, het maatschappelijk rechts)verkeer veel intenser. Daarom moeten we meer en meer rekening met elkaar houden om botsingen te voorkomen. En als de verhoudingen niet gelijk zijn, wordt zeker van de sterkere partij verwacht, dat hij ook rekening houdt met onoplettendheid, onvoorzichtigheid en ondeskundigheid van de ander. Dat “rekening houden met ” wordt tegenwoordig “zorgplicht” genoemd. Financieel adviseurs, maar ook andere deskundigen moeten ons behoeden voor al te onbezonnen beslissingen. Nu hoor ik u al denken: “Lekker makkelijk, hoeven wij zelf dan niet meer na te denken?” Als er inderdaad een te zware zorgplicht op bv. de banken wordt gelegd zal uw vraag door de banken, vertwijfeld met die wedervraag van Kaïn beantwoordt worden: “Ben ik mijn broeders hoeder?”

DNA uit Valkenburg en Bilthoven

Een wijdverbreid misverstand: Na een DNA-match is de dader bekend. Series als CSI, NCIS en Criminal Minds dragen misschien wel bij tot het ontstaan van dit misverstand.

Maar het maakt nogal wat uit hoe men aan het DNA gekomen is. Het kan afkomstig zijn uit een menselijke haar, aangetroffen op de plaats van het misdrijf (“plaats delict”). Zo zou ook de DNA-match in de zaak Els Borst kunnen zijn ontstaan. Maar heeft die 38 jarige verdachte met hetzelfde DNA als aangetroffen op die veilig gestelde sporen in de garage van Els Borst, “het dus gedaan”? Die match bewijst alleen voor zo’n 99,99999% zekerheid, dat het zijn DNA is.

Het DNA kan ook afkomstig zijn uit sperma aangetroffen in de condooms in de prullenmand in een hotelkamer te Valkenburg.

dna

Op de vraag, hoe komt uw haar op de “plaats delict”, kunnen vele ook nog wel aannemelijke verklaringen worden aangedragen. Een haar kan ver reizen door bijvoorbeeld een toevallig maar alledaags contact in een overvolle trein of bus. Bedenk maar wat. Maar zulke logische alledaagse verklaringen zijn in de Valkenburgse zedenzaak dus moeilijk te geven, mocht het daar ooit tot een DNA-match komen. Daar waar de alternatieve uitleg voor de DNA- match ongeloofwaardiger en onaannemelijker wordt, wordt het DNA bewijs sneller als “sluitend” gezien.

Mensen hebben de sterke neiging de logische voor de hand liggende verklaringen en verhalen direct voor waar aan te nemen. Wij houden van een duidelijke begrijpelijke loop der dingen en met toeval hebben we al een probleem. Wie gelooft er niet dat Feyenoord-hooligans de dag voor de klassieker Ajax – Feyenoord het supportershome van Ajax in brand hebben gestoken? Politie, Openbaar Ministerie (OM) en Rechters moeten dus eigenlijk steeds iets onnatuurlijks doen. Op zoek gaan naar die minder logische verklaringen. Voor de echte zuivere wetenschapper hoort dat een tweede natuur te zijn. Als wetenschapper A een duidelijke bewijsvoering openbaart, bijvoorbeeld tijdens een congres, dan zullen daarna tientallen wetenschappers overal ter wereld op zoek gaan naar tegenbewijs.

In de strafrechtelijke juridische bewijsvoering lijkt het er soms op dat alleen de verdediging op zoek gaat naar die alternatieve scenario’s. Maar ook de rechter en het OM moeten bedacht blijven op minder waarschijnlijke scenario’s, want je weet niet wat je niet weet.

Iedereen wordt verondersteld de wet te kennen.

Je kan van dit kabinet zeggen wat je wil, maar de productie is groot. De ene nieuwe wet na de andere wordt door de kamers geloodst. Begin dit jaar zijn vele nieuwe wetten in werking getreden o.a. op het gebied van Zorg, Bijstand en Arbeid.

Het voert te ver om hier alle wijzigingen op het gebied van bijvoorbeeld het arbeidsrecht te bespreken. Maar vele werkgevers zullen nog niet precies weten wat bijvoorbeeld de nieuwe “aanzeggingsplicht” inhoudt: Bij tijdelijke arbeidsovereenkomsten van 6 maanden of langer geldt per 1 januari jl. dat de werkgever een werknemer minimaal een maand voor het aflopen van het contract schriftelijk moet informeren of hij het contract al dan niet wil voortzetten. Dit is maar één van de vele veranderingen die in dit nieuwe jaar van kracht zijn geworden, en die andere ken ik ook lang niet allemaal.

Wie weet er dat je in de gemeente Weststellingwerf geen bomen mag hebben binnen een halve meter van de grenslijn met andermans erf?

Wanneer je na het overlijden van je wat aan lagerwal geraakt familielid, alvast het huis van de overledene ontruimt, loop je het risico dat je ook met de schulden van dat familielid opgescheept kan worden. Het leeghalen van dat huis, kan wettelijk gezien, uitgelegd worden als zuiver aanvaarding van de erfenis van dat familielid. En die erfenis zou wel eens hoofdzakelijk uit schulden kunnen bestaan.

Toch worden wij allen verondersteld de wet te kennen. Dus die kwajongen die op oudejaarsdag tegen oom agent zei: “ik wist helemaal niet dat ik voor 18:00 uur nog geen vuurwerk af mocht steken, pleit zich met dat “ik wist dat niet – verweer“, niet vrij.

Zonder die fictie dat iedereen verondersteld wordt de wet te kennen zou iedereen “dat wist ik niet” of “die regel kende ik niet” kunnen roepen. Als je er zo mee weg zou komen wordt het recht uiteindelijk onuitvoerbaar, dan wordt het kort gezegd een puinhoop. En daarom moeten, zoals helaas wel vaker, de goeden (echt onwetenden) onder de kwaden lijden.

Non, je ne suis pas Dieu

#Non, je ne suis pas Dieu

“Eenheid zonder verscheidenheid is verstikkend. Verscheidenheid zonder eenheid is los zand. Nederland is meer dan zeventien miljoen selfies. We hebben elkaar nodig, sterker dan we vaak zelf beseffen.” (uit de kersttoespraak van Koning Willem Alexander)

De Koning als volgeling van Albert Camus. Bien étonnés de se trouver ensemble. De vergelijking is ook wat geforceerd maar die verstikkendheid van de “Eenheid” inspireerde mij.

Albert Camus[1] schrijver en filosoof (1913-1960) geboren in Algerije, ontving ik 1957 de Nobelprijs voor de Literatuur. Was lid van de communistische partij in Algerije (van daar die bovenbedoelde verbazing), maar toen er een conflict ontstond over de positie van de moslims binnen die partij koos hij de kant van de moslims en verklaarde die keuze door te schrijven: “Ik geef de voorrang aan het leven boven de leer, en het is altijd het leven dat de leer overwint. Een een doel dat onrechtvaardige middelen nodig heeft is geen rechtvaardig doe. Weg van Machiavelli, maar naar Luther, Goethe of Brecht: “Jeder prinzip führt zum Teufel”. Tijdens het nazi-regime is zijn afkeer voor iedere vorm van totalitarisme, van fascisme tot communisme gegroeid. Hij vond een bondgenoot in Hannah Arendt. In zijn boek, “De mens in opstand” zoekt Camus naar vormen van verzet tegen elke beweging of richting die de mens vernedert of als ding behandelt. De mens als individu staat bij Camus voorop. Verscheidenheid of individualisme tegenover de door de leer, het ideaal, de utopie, de religie of politieke overtuiging afgedwongen “verstikkende Eenheid” die uiteindelijk tot het kwaad zal leiden.

“Met De mens in opstand verwoordt Camus de diepgevoelde behoefte aan solidariteit in een absurde wereld (nl. een wereld zonder leer of logica edv). [2]  De solidariteit als middel om dat los zand toch iets gemeenschappelijks te geven en het leven iets om voor te leven. Maar die absurde wereld moet wel absurd blijven, zonder plan of leer, maar vol noodlot en toevalligheden.

“Nee, de mens woelt onrustig in zijn bestaan en stelt zichzelf vragen. Om recht te doen aan zichzelf moet hij in verzet komen, maar hij moet daarbij ook het leven van de anderen respecteren. Hij die geobsedeerd is door slechts het Goede te willen, zal vroeg of laat deze grens overtreden: hij zal een systeem bouwen of zich aansluiten bij een heilsprofetie en strijder worden voor de goede zaak: een moordenaar, een onderdrukker. Ongetwijfeld waren de mensen die met goddelijke hoogmoed de vliegtuigen in de Twin Towers boorden vervuld van hun eigen overtuiging het absoluut Goede te doen. In plaats van deze mensen opzij te schuiven als engelen van het Kwaad, zouden we er goed aan doen Camus te herlezen en te begrijpen dat het om mensen ging met idealen en beelden van een paradijs, mensen als wijzelf zijn.” aldus Ruud Welten.

Bij Nelleke Noordervliet tref ik een zelfde gedachte aan: “Op een moment keert de uiterste consequentie zich tegen de eigen overtuiging. Het doet er niet toe hoe die overtuiging luidt. Of het een boodschap is van vrede of geweld. Of het een systeem is van insluiting of uitsluiting. Of het de markteconomie verdedigt of de sociale verzorgingsstaat. Of het een religie is of een politiek ideaal.
Elk geloof herbergt het kwaad. Vroeg of laat overschrijdt een mens met het Gedachtengoed van de Grote Leider in de hand de grens. Vliegt hij de Twin Towers in. Of zwaait hij het zwaard van een Tempelier. Of volgt ze het hype egoïstische nietsontziende radicaal rechtse machtsdenken van Ayn Rand”

We kunnen in beide citaten “het Twin Towers voorbeeld ” helaas weer aanvullen met “het Charlie Hebdo”.

Zelfs die leer waar we het dezer dagen zoveel over hebben “liberté, égalité et fraternité” heeft vele slachtoffers veroorzaakt. Na de onthoofding van koning Lodewijk en zijn vrouw, koningin Marie-Antoinette, zouden er nog vele koppen rollen. Na het uitvaardigen van de eerste versie van onze moderne mensenrechten: De verklaring van de rechten van de mens en de burger, zijn er in naam van die nieuwe leer, tijdens “de Terreur” (het Schrikbewind), nog 40.000 hoofden van de guillotine gerold.

In het slothoofdstuk van “De opstandige mens” schrijft Camus: “Maar als de mens in staat zou zijn in zijn eentje eenheid in de wereld te brengen, als hij op bevel oprechtheid, onschuld en gerechtigheid kon laten heersen, zou hij God zelf zijn.” Verder naar het slot haalt hij zijn ideale opstandige Kaljajev aan, een Russische terrorist die voor zijn executie in 1905, de wereld liet weten wat de mens, in al zijn opstandigheid, moet doen: leren leven en sterven en, om mens te zijn, weiger god te zijn.

[1] Zie het Nawoord van Daan Roovers bij De Mens in opstand, Olympus, waaraan ik citaten beelden en ideen ontleen.

[2] Daan Roovers, noot 1

De Tragedie van de Meenthe

Na de discussie over de solidariteit in de zorgverzekeringen en dichter bij huis (gemeente Weststellingwerf) de zorgen over het winkelapparaat in Wolvega besloot ik een oud artikel van mij weer een te publiceren, Tragedie van de Meenthe :

Vroeger bevonden zich in de buurtschappen gemene gronden, gronden in gemeenschappelijke eigendom of slechts in gemeenschappelijk gebruik bij meerdere boeren. Die gemene grond is ook hier wel bekend als “Meenthe” (met of zonder “h”).

De gebruikers van die gronden hadden er belang bij die weiden niet te laten overgrazen en die weiden te onderhouden. Een gemeenschappelijk belang dus. Maar iedere boer afzonderlijk had een individueel belang om er zoveel mogelijk van zijn koeien te laten grazen. Dat levert die boer immers meer op. Gaan meer boeren voor het eigen belang, door meer koeien in te scharen, dan zal het voordeel van de meeropbrengst verloren gaan door overbegrazing. Die boeren zouden het noodlot met open ogen tegemoet gaan, gelijk een Griekse tragedie. In de rechtseconomie wordt dit verschijnsel dan ook “de tragedie van de meenthe” in het Engels, “tragedy of the commons” genoemd. Verstandige boeren laten het niet zover komen. Die weten zich lid van een ge-“meenthe” en begrepen dat zij allen belang hadden bij een vorm van samenwerken en sociale controle. Zij kenden het begrip dat de negentiende-eeuwse Franse filosoof, Alexis de Tocqueville, later “het wel begrepen eigen belang” noemde. Als hechte gemeenschap waarvan de leden om elkaar gaven, begrepen zij maar al te goed, dat het in hun eigen belang was om een stukje eigen vrijheid op te geven, sociale controle te ondergaan, om zo doende collectief vrijer en gelukkiger te zijn.

Daarom zegt Albert Jan Kruiter, co-auteur van het boekje “In ons belang”, wiens inzichten mij tot het schrijven van stuk inspireerde, het volgende. “Echte democratie gaat werken wanneer we gezamenlijk ervaren dat dat weiland (de meenthe edv) van ons allemaal is.” Ieder voor zich en God voor ons allen heeft ons gebracht waar we nu zijn.

Hoe zijn wij dat welbegrepen eigen belang uit het oog verloren? Sterker dan in Amerika ontwikkelde de staat zich in Nederland tot verzorgingsstaat en raakte die eerst “participerende” burger, collectief meer en meer passief en “gehospitaliseerd”.

Mark Rutte haalde in 2009 De Torcqueville aan die beschreef wat in Amerika gebeurde als daar een boom over de weg valt. Dan komen de mensen uit de huizen te voorschijn hakken hem in stukken en ruimen hem op. De Fransen daarentegen, aldus nog steeds De Torqueville, lopen in zo’n geval, massaal naar de burgemeester en eisen dat die boom wordt

weggehaald. Rutte concludeert daaruit dat wij ons geluk te veel in handen van de staat leggen, terwijl, zo eindigt die dan: “Wij liberalen weten dat daar het geluk niet ligt. Het ligt in onszelf”

De staat kan door de voortschrijdende globalisering nog maar beperkt aan de knoppen zitten en heeft ook meer en meer uitbesteed aan “de markt”.En die uitbesteding heeft weer tot verregaande vormen van toezicht, regelgeving en controle geleid en dat toezicht wordt als te knellend ervaren. Daardoor is de burger ontevreden geraakt. Hij wordt niet vertrouwd en krijgt tegengeworpen dat het geluk en het succes in jezelf zit, dat je dat zelf af moet dwingen en raakt dus boos en gefrustreerd als dat niet lukt. Dat falen is immers geheel en al zijn eigen schuld.Hoe moeten we de gemeenschapszin van die goeie oude meenthe weer in ere herstellen? Net als puberende kinderen moeten we ons losmaken van de zorgen van de overheid en die overheid moet dan “leren los te laten en vertrouwen te hebben”.

De gemeente moet de burger niet zozeer laten participeren in de vorming van gemeentebeleid, de gemeente zou moeten participeren in het beleid dat overal in haar “meenthe’s” ontstaat of wordt ontwikkeld.Helemaal mooi wordt het, als de gemeente dan inderdaad actief gaat participeren in de activiteiten die de burger dan gaat ontplooien. “Nog geen vergunning, regelen we even”.

Niet meer controleren, maar faciliteren en waar nodig, maar echt alleen waar nodig, ondersteunen. Alleen zo kan bij ons, de burgers, die hechten aan vrijheid en autonomie, het besef doorbreken dat we moeten samenwerken met anderen (Sesamstraat) om die vrijheid en autonomie te waarborgen en te ontplooien. We moeten die boer/buur die dat welbegrepen eigenbelang toch niet zo goed begrepen heeft, net als vroeger op de Meenthe,  weer aan spreken op zijn morele en sociale verantwoordelijkheid voor het algemeen belang, opdat de Tragedie van de Meenthe, dat noodlot, afgewend kan worden.

Emoties en rechtspraak

Nederland kent 17 miljoen bondscoaches en zo langzamerhand ook 17 miljoen rechters. Dat laatste leid ik af uit de commotie rond de uitspraak van de rechter over het verkeersongeval op 19 mei 2012 te Meijel waarbij 3 doden vielen te betreuren, een twee jarige meisje en haar opa en oma.

De veroorzaker van het ongeval kreeg een taakstraf van 120 uren opgelegd. De vader gooide na het horen van die uitspraak een stoel naar de rechter die het vonnis voorlas. Die emotionele uitbarsting van de vader snap ik, daar zult u mij niet over horen. Over het “ontploffen” van de sociale media verbaas ik mij ook niet meer. De andere reacties hebben mij wel aan het denken gezet.

Vanwaar die heftige en vaak ongenuanceerde uitspattingen? Zelf kon ik na enige dagen toch niet laten om een reactie te schrijven onder zo’n, in mijn ogen ook te ondoordachte, hartenkreet. Ik schreef:

“Rechters moeten zich laten leiden door het recht en rechtvaardigheid. Autorijden is werkelijk levensgevaarlijk. Dat accepteren wij met z’n allen en er vallen jaarlijks zo’n 600 doden in het verkeer. Vaak zit het ongeluk in een klein hoekje, even een moment van onachtzaamheid, een stuurfout, en helaas zijn de gevolgen dan vaak dramatisch. Maar de gevolgen van zo’n bijna onvermijdelijke fout -waar gereden wordt vallen spaanders – mogen niet alles bepalend zijn voor de schuld en boete. En dan heb ik het nog niet over het persoonlijk drama voor de veroorzaker.” (voor de liefhebbers zie: http://njb.nl/blog/ondermijning-rechtsgevoel.13117.lynkx ).

Ben ik te afstandelijk, lijd ik aan een vorm van beroepsdeformatie. In de ogen van velen ben ik vast wat los van de werkelijkheid geraakt. Het zal je kind maar wezen! Misschien wat flauw, maar mag ik daar dan toch tegenover stellen; je zal die bestuurder maar wezen! Rinus Otte, voormalig hoogleraar verkeersrecht en raadsheer Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden  rekende in zijn blog van 26 november jl. op de site met de sprekende titel “Ivoren Toga” (http://ivorentoga.nl/archieven/3387 ) voor, dat het verkeer in Nederland na de Tweede Wereldoorlog 100.000 doden heeft geëist. Elke week overlijden er meer dan 12 verkeersdeelnemers door fouten die iedereen wel eens maakt. Misschien is dat het juist,dat noodlot, dat soms te dichtbij komt. Wij aanvaarden het risico en toch ook weer niet.

Partneralimentatie is niet meer van deze tijd

Het in twijfel trekken van wat algemeen aanvaard lijkt, is advocaten niet vreemd. Het helpt daarbij als je er zelf, als advocaat, ook van overtuigd bent, dat het “in twijfel te trekken idee” inderdaad niet meer van deze tijd is. Dat  geldt voor mij dus voor partneralimentatie, de plicht aan de ene partner opgelegd na echtscheiding, om bij te dragen in het levensonderhoud van de andere partner.

De wet bepaalt nu nog: “De rechter kan bij de echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak aan de echtgenoot die niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich in redelijkheid kan verwerven, op diens verzoek ten laste van de andere echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud toekennen.” En hoewel er dus “kan” staat, is het anno 2014 nog steeds regel dat de rechter op basis van deze bepaling partneralimentatie oplegt.

Mijn zoektocht naar de rechtsgrond van de alimentatieverplichting die de rechter op kan leggen, heeft geen overtuigende argumenten opgeleverd. Een plicht tot betaling veronderstelt in zijn algemeenheid een schuld. Maar als de betalingsplichtige echtgenoot m/v niet “schuldig” is aan dat niet kunnen verwerven van voldoende inkomen door de ex, moet de rechtspraak terugvallen op een gekunstelde constructie. Het huwelijk zou een “lotsverbondenheid” tussen echtgenoten in het leven roepen. De mogelijkheid van de rechter om aan een van beide partners een onderhoudsverplichting op te leggen wordt dan dus opgehangen aan dat moeilijk vatbare begrip “lotsverbondenheid”.

Dat ophangen vindt vaak weinig overtuigend plaats. Zo trof ik de volgende cirkelredenering aan in een uitspraak:

“ De rechtbank is van oordeel dat er anders dan de man stelt wel sprake is van lotsverbondenheid van de echtgenoten. Het gaat niet om het gevoel van lotsverbondenheid. Bij procedures over partner-alimentatie is dat gevoel er meestal niet meer. Het is de omstandigheid dat mensen feitelijk hun lot aan elkaar hebben verbonden. Dat maakt dat de financiële banden bij scheiding niet ineens kunnen worden doorgesneden. Partijen zijn in 196x met elkaar getrouwd. Hun lotsverbondenheid is daarmee gegeven. De man is onderhoudsplichtig jegens de vrouw.”

 In het recente proefschrift van mevrouw mr. Naomi Daphna Spalter  “Grondslagen van partneralimentatie” op welk proefschrift zij op 18 september 2013 is gepromoveerd tot Doctor[1], vond ik een duidelijke uitleg van het ontstaan van deze krakkemikkige onderbouwing van de alimentatieplicht.

Partneralimentatie werd van oudsher als een vorm van schadevergoeding gezien in het oude – op schuld gebaseerde – Nederlands recht van vóór de liberalisering van het echtscheidingsrecht in 1971. Voor 1971 gold als rechtvaardiging van (het opleggen van) een onderhoudsplicht, de schuldige gedraging of onrechtmatige daad van de gewezen echtgenoot die de echtscheiding tot gevolg had.(zie ook Zie ook Asser/De Boer 1 1* 2010 nr. 617: Rechtsgrond)

Na de loskoppeling van de echtscheiding en de alimentatie van het schuldbegrip kwam het beginsel weer meer naar voren dat iedere volwassene in eigen levensonderhoud moet voorzien. “Dat de zelfredzaamheid van een ex-echtgenoot voorop staat, – zo stelt Salter – , heeft tot gevolg dat alimentatierecht als uitzonderingsrecht wordt beschouwd.”

Dan is er dus een rechtvaardiging nodig voor het aannemen van die uitzondering. Salter gaat in haar dissertatie ook op zoek naar rechtvaardigingsgronden voor de alimentatieplicht. Op bladzijde 1 van de “Introductie” van haar proefschrift, voert zij twee (ex-)echtparen op: het stel Lisa en David en het stel Jane en Albert.

Stel Lisa en David:

“Op de verscheurde foto staan de 35-jarige Lisa en haar twaalf jaar oudere ex-man David. Lisa en David zijn na een huwelijk van tien jaar van elkaar gescheiden. Het voormalige echtpaar leidde een zeer welvarend leven door het hoge inkomen van David, die ondernemer is in de ICT-branche. Tijdens het huwelijk heeft Lisa niet gewerkt. Op het moment dat Lisa en David in het huwelijk traden, besloot zij geheel uit eigen beweging om haar baan als verpleegkundige op te zeggen. Gedurende het huwelijk had het echtpaar een voltijdse hulp in de huishouding in dienst. Hun huwelijk is kinderloos gebleven.”

Stel Jane en Albert:

“Op de tweede verscheurde foto staat het gezin van de 35-jarige Jane in gelukkiger tijden. Na tien jaar huwelijk zijn Jane en haar voormalige man Albert van elkaar gescheiden. Jane en Albert hebben twee zonen die op het moment van de scheiding zes en twee jaar oud waren. Toen het jongste zoontje werd geboren, besloten Jane en Albert gezamenlijk dat Jane haar studie Geneeskunde zou opgeven om voor de kinderen en het huishouden te zorgen. Het jongste zoontje is namelijk gehandicapt en heeft voltijdse zorg nodig. Albert heeft zijn studie Rechtsgeleerdheid voltooid en heeft inmiddels, als partner bij een advocatenkantoor, een goed inkomen. Na de scheiding blijven de kinderen bij Jane wonen.”

Mr. Spalter stelt over deze twee stellen verder in de “Introductie” het volgende:

“De casus van Lisa is een geval waarin de eventueel door de rechter toegekende onderhoudsbijdrage zuiver is gebaseerd op de grondslag voortdurende solidariteit. Daarentegen is de casus van Jane een duidelijke situatie waarin de onderhoudsplicht is gebaseerd op de grondslag huwelijksgerelateerde vermindering van de verdiencapaciteit. Deze twee casussen zullen daarom door dit proefschrift heen dienen als illustratie van de twee grondslagen. Zoals ook in dit promotieonderzoek zal blijken, komen zulke zuivere gevallen in de praktijk bijna nooit voor, maar omwille van de duidelijkheid is in deze studie voor de casus van Lisa en Jane gekozen.”

Mr. Salter onderscheidt dus twee grondslagen voor de rechtvaardiging van het opleggen van partneralimentatie:

  • voortdurende solidariteit (Lisa en David) , gelijk te stellen met het begrip lotsverbondenheid  en
  • de huwelijksgerelateerde vermindering van de verdiencapaciteit (Jane en Albert)

Zij stelt in haar introductie ook vast dat haar proefschrift en dus ook haar opvattingen thans een onderwerp van politiek debat zijn geworden. “Mede dankzij mijn deelname aan de parlementaire Werkgroep Partneralimentatie van de VVD, PvdA en D66, is de grondslagendiscussie op de agenda geplaatst. In de initiatiefnota van deze partijen is uiteindelijk opgenomen dat de ‘nieuwe’ (en enige) grondslag van partneralimentatie de ‘compensatie voor het gedurende het huwelijk ontstane verlies aan verdiencapaciteit’ is. (..) Het gevolg hiervan is namelijk dat geen partneralimentatie meer kan worden vastgesteld als slechts sprake is van de grondslag voortdurende solidariteit.

Zo wordt de hoofdregel, dat iedere volwassene in eigen levensonderhoud moet voorzien, financieel onafhankelijk moet zijn, weer in ere hersteld. Die hoofdregel brengt met zich mee dat de plicht tot alimentatiebetaling alleen in uitzonderingsgevallen kan worden opgelegd.

Het vage criterium “lotsverbondenheid” of zo u wilt “de voortdurende solidariteit na huwelijk” vervalt dan als alimentatiegrond (de Lisa en David situatie). Een partner wordt alleen nog gecompenseerd als zijn of haar verdiencapaciteit, in vergelijking met die van de andere partner, onevenredig is verminderd door het huwelijk. Bijvoorbeeld door de onderlinge zorgtaakverdeling tijdens huwelijk.

Zo kan ik, als generalist, die nieuwe partneralimentatie beter plaatsen binnen het algemene vermogens- en verbintenissenrecht.

Soms waagt de rechter zich aan anticiperende rechtspraak (vooruitlopend op komend recht), maar anticiperen op opvattingen die weliswaar politiek steeds breder gedragen worden, maar nog niet in wetgeving zijn omgezet, gaat kennelijk te ver.

Zo kreeg ik, toen ik in een zaak, een beroep deed op deze nieuwe inzichten, van de rechter te horen:

“Meneer de Vries u bent wat te vroeg met dit betoog.”

Het hierboven geciteerde wetsartikel (art. 1:157 lid 1 BW) bepaalt echter nu al dat: “De rechter kan, dus de rechter kan ook nu al bepalen dat er geen goede grond bestaat om alimentatie op te leggen nu er in een bepaald geval geen huwelijksgerelateerde vermindering van de verdiencapaciteit bestaat

[1] “Grondslagen van partneralimentatie” is in boekvorm uitgegeven door Boom Juridische uitgevers