“Een nieuwe lente en een nieuw geluid”

of “Hoe keren wij het tij?

Misschien wel de bekendste dichtregel uit de Nederlandse literatuur. Geschreven door de socialist Herman Gorter in 1889.

Zijn we op de drempel van een nieuw seizoen, een nieuw tijdperk aangekomen?        Vorig jaar rond deze tijd verscheen een stuk van de journalist Mirjam de Rijk in de Groene Amsterdammer met de titel: “We zijn terug in de negentiende eeuw” .

20180317_161543

 

Veel wordt in tijd, tijdperken en seizoenen uitgebeeld. Na de val van de muur en het daarop uiteenvallen van de Sovjet Unie en nadat Margaret Thatcher in het Verenigd Koninkrijk en Ronald Reagan in de Verenigde Staten, het neoliberalisme hadden geïntroduceerd, kondigde Francis Fukuyama in 1992 het einde van de geschiedenis aan. De liberale vrije-markt-democratie had het als ideologie definitief gewonnen van alle andere maatschappelijke en levensovertuigingen was zijn conclusie.

 

De geschiedenis is niet ten einde maar lijkt zich te herhalen.

Nog voor de Franse revolutie schreef  de Britse dichter Oliver Goldsmith, in 1770, het gedicht The deserted Village met de strofe: “Ill fares the land, to hastening ills a prey, Where wealth accumulates, and men decay.” (regel 51). Een 18e eeuwse aanklacht tegen de toen al opkomende industrialisatie. Accumulatie van rijkdom, efficiënte productie ten koste van de mens, van de menselijke waardigheid. Tony Judt, een belangrijk denker en historicus uit Engeland, moest geïnspireerd zijn geweest door Goldsmith toen hij zijn laatste boek voor zijn dood in 2010 ook die titel meegaf:

“Ill fares the Land”.20180317_134247

Hij riep ons in 2010 al op om de confrontatie aan te gaan met onze maatschappelijke problemen en de verantwoordelijkheid te nemen voor de wereld waarin we leven. En Judt draagt alternatieven aan: er is hoop, zolang we durven na te denken.

Dat boek was één grote aanklacht tegen wat Judt toen al de doorgeslagen marktwerking van het Neoliberalisme noemde. Later, in 2019, zou de Minister van Volksgezondheid Hugo de Jonge ook vaststellen dat de marktwerking op zijn beleidsterrein, in de zorg dus, was doorgeslagen. Een ander hoopvol signaal is misschien wel het ingrijpen van de Overheid in de vrije markt economie door een groot belang te nemen in de de luchtvaartcombinatie KLM-Air France. Kennelijk bestaat zelfs bij onze huidige regering geen absoluut geloof meer in de heilige markt, die alles regelt met de “invisible hand“. De overheid corrigeert de marktwerking in het belang van het volk.

Dat Neoliberalisme heeft ons teruggebracht naar de verhoudingen tussen arm en rijk zoals die bestonden in de negentiende eeuw. Of als je dat gedicht van Goldsmith leest, naar de achttiende eeuw. Die accumulatie van rijkdom en macht bij enkelingen.

De uitdaging van Judt.

Eerder ging Minister Sigrid Kaag de uitdaging van Judt al aan met haar Abel Herzberg lezing, vorig jaar 30 september: Wees niet stil! Wij zijn met velen. Onze stem is nodig. Ons handelen is nodig.

En recent verscheen van de filosoof en schrijfster Joke J. Hermsen een essay met daarin  ook weer een oproep om te handelen: “Het tij keren”  met Rosa Luxemburg en Hannah Arendt. Zelf heb ik het essay nog niet gelezen maar ik kan putten uit een essay en een interview naar aanleiding van dat essay.

Accumulatie van Kapitaal

Hoe zijn we weer terug gekomen bij die negentiende eeuw en hoe komen we daar weer vandaan?20180317_160724 (1)

In “Honderd jaar Rosa Luxemburg”  (het essay n.a.v. het essay) geschreven door Joke Hermsen en Brenda Ottjes (H&O) in de Groene Amsterdammer leer je een heel andere Rosa Luxemburg kennen dan uit de schoolboeken naar voren komt. Niet de klassieke communist zoals Marx, Lenin, Stalin en erger, maar een met het Leitmotiv: “Sieh dass du immer Mensch bleibt”. Een denker die haar tijd ver vooruit was zoals de inleiding van het essay aangeeft: “Haar inzichten verklaren de kapitalistische dynamiek die leidt tot klimaatverandering, milieuvervuiling, de surveillance door Google en het vercommercialiseren van de zorg. Logisch dus, de hernieuwde belangstelling.”

Luxemburg trok al in 1913 van leer tegen de accumulatie van rijkdom in haar hoofdwerk Die Akkumulation des Kapitals. Haar scherpe inzicht, aldus H&O, “dat het kapitalisme steeds iets van buiten het kapitalisme nodig heeft voor zijn eigen groei en dus voortbestaan, wierp destijds een nieuw licht op het kolonialisme. Door de kapitalistische cirkelbeweging van productie, afzetmarkt en groei te bestuderen, zag Luxemburg dat het systeem voortdurend ‘non-kapitalistische gebieden’ nodig heeft voor zijn voortbestaan.” Toen sloeg dat echt nog op de uitbuiting van kolonies maar nu zou je kunnen zeggen dat de Facebooks, Ubers, Airbnbs  en Googles van deze wereld ons (en onze data) koloniseren en uitbuiten en zodoende een gigantisch kapitaal “accumuleren”. Zie bijvoorbeeld de Britse Harvard-econome Shoshana Zuboff in haar recente studie The Age of Surveillance Capitalism,

“De economische ongelijkheid neemt wereldwijd alleen maar toe, en dus ‘moet het tij van het hyperkapitalisme om!’ riep de Franse econoom Thomas Piketty onlangs op de televisie uit tijdens een gesprek met de Franse gele hesjes.” aldus H&O. Nog een citaat:

“De productie moet niet langer gericht zijn op de verrijking van een paar individuen’, schreef Luxemburg in De socialisatie van de maatschappij, ‘maar op de bevrediging van de behoeften van de hele gemeenschap.’ Herhaaldelijk wees ze op de noodzaak van voldoende rust en blijvende zelfontplooiing. Mens-zijn was voor haar geen voltooid feit, zoals een product ‘af’ of ‘klaar’ kan zijn, maar een voortdurend worden en zich verder ontwikkelen. Ze streefde de emancipatie van alle mensen na, die zich mogen ontwikkelen in een richting die overeenstemt met hun menselijke aard, in plaats van zich door de werkdruk steeds meer van zichzelf – en wat er aan talenten en mogelijkheden in hen verscholen ligt – te vervreemden.”

Ik moest hier even denken aan mijn eigen gedachtenspinsels:  “De kern van de Economie”. 20180317_160611

Verkiezingen zijn niet democratisch

En in dat interview of gesprek van Lex Bohlmeijer met Hermsen in de serie “Een goed gesprek in “de Correspondent” vraagt Hermsen aandacht voor iets waar ik ook al een blog over schreef, met de titel : “Verkiezingen zijn niet democratisch”. Ja, ik kan zo enthousiast raken over stukken en boeken die ik net gelezen heb, dat ik dat tot mij genomen gedachtegoed direct wil verspreiden. Onbeschaamd sla ik dan aan het citeren. Nou, wat ontdekte Hermsen bij haar studie naar Rosa Luxemburg.

Allereerst dat we Rosa Luxemburg moeten zien als een idealistisch denker in het licht van de tijd voordat het hele communistische idee tot een totalitair monster verworden was. Zij was in hart en ziel democraat. Zij zag al vroeg in dat de vertegenwoordigende of parlementaire democratie waarbij steeds een relatief klein gezelschap, dat meer en meer uit “beroeps politici” ging bestaan, neigde naar een oligarchie, waarbij de belangen van het volk zelf in het gedrang komen.  De kloof tussen kiezers en gekozenen, waar we het nu vaak over hebben is te groot geworden. Het belang bij herverkiezing prevaleert vaak boven dat van het algemene belang. Idealen worden waar nodig over boord gegooid als dat de kans op meer stemmen vergroot. Vandaar ook haar pleidooi, begin negentiende eeuw al, voor een meer directe democratie. Maar dan niet in de vorm van een referendum waarbij de invloed van de burger weer beperkt blijft tot “het rood maken van een vakje” bij een te simplistisch geformuleerde vraag, maar in een vorm waarbij goed geïnformeerde burgers een serieuze burgerplicht moeten vervullen, na door loting te zijn aangewezen, zoals de jury bij een Amerikaanse rechtbank. Ook daar moet, voor men tot een oordeel komt, zorgvuldig en goed beraadslaagd worden.

In de tekst bij dat “Goed gesprek” in “De Correspondent”. wordt de wat cynische vraag gesteld:

“Onhaalbare dagdromen? waarna de tekst vervolgd met:

Haar gedachtegoed vindt weerklank in de experimenten met directe democratie die David Van Reybrouck op het ogenblik in de praktijk brengt in België.” met een verwijzing naar een stuk van Van Reybrouck geplaatst in “De Correspondent”  

Hoe keren we het tij?

Ja, die vraag is gedeeltelijk al beantwoord, door het volk meer te betrekken bij de inrichting en vormgeving van  de gemeenschap. De Correspondent, of eigenlijk Hermsen:  “Door te kiezen voor directere democratie. Door de brieven van Rosa Luxemburg te lezen. En door vaker stil te vallen, de tijd te nemen. Plato schreef al: een democratisch staatsman zorgt voor voldoende rust, zodat het volk kritisch, alert en creatief blijft. Alleen een tiran houdt het volk permanent aan het werk; voer de werkdruk op en mensen blijven in het gareel.20190318_212502

  • Onder het hyperkapitalisme is die werkdruk zo groot geworden dat er geen ruimte meer is om in opstand te komen. In plaats daarvan keren mensen zich van de wereld af, ze hullen zich in moedeloosheid en depressiviteit en zoeken een zondebok. Met zo’n inert volk kun je als machthebber doen wat je wilt, schreef filosoof Hannah Arendt in Men in dark times in 1974″ aldus nog steeds tekst bij het interview in “De Correspondent”.
  • .

Uit die Franse “gele hesjes”, uit de voor beter onderwijs demonstrerende studenten en uit de klimaatspijbelaars put Hermen ook hoop, zegt zij Ook die groeperingen pakken de handschoen van Luxemburg en Judt en Hannah Arendt op.

Wees niet stil! Wij zijn met velen. Onze stem is nodig. Ons handelen is nodig was de oproep van Minister Kaag. En ook voor zo’n “buiten parlementaire” inbreng in onze democratie hebben we “weldenkende mensen nodig”. Hermsen pleit daarom voor: Onderwijs, onderwijs en onderwijs of breder “denken”, zou Hannah Arendt zeggen.

Om te zorgen dat “dass du immer Mensch bleibt” heb je inlevingsvermogen nodig, betrokkenheid bij de gemeenschap waarin je leeft, bij de wereld waarin je leeft “Amor mundi” en dus literatuur. Mag ik weer verwijzen naar een blog van mij?

“Recht literatuur en empathie of mijn wens voor 2018” Niet voor niets bevonden zich onder de vrienden van Rosa Luxemburg, de schrijver van die bekendste dichtregel uit de Nederlandse literatuur, Herman Gorter, Goethe en Henriette Roland Holst.


De Bibliotheek als “de Tafel van Hannah Arendt”

https://vumagazine.nl/gezond-120-worden-dat-kanNa lezing van het boek “Groter Denken, Kleiner Doen, volgens de ondertitel: “Een Oproep”, van Herman Tjeenk Willink kwam ik via Femke Halsema, weer op “de Tafel” van Hannah Arendt.

Alle drie maken zijn zich zorgen over het publieke debat en de publieke ruimte. Arendt sprak haar zorgen daarover al uit in 1958 en die zorgen lijken veel op die van Tjeenk Willink en Halsema, al legt de laatste het accent op het populisme als bedreiging voor het inhoudelijke publieke debat. En Halsema wijdde in haar mooie essay voor de maand van de filosofie 2018, “Macht en Verbeelding” een heel hoofdstuk aan “De tafel van Arendt”. In zijn artikel “Hannah Arendt: publiek domein, recht en rechtspraak”, Netherlands Journal of Legal Philosophy, 3, (2003) beschrijft de hoogleraar encyclopedie van het recht en de rechtstheorie, Ton Hol, wat Arendt bedoelt met die tafel als metafoor voor het publieke domein:

20190210_154715

Het publiek domein moet, volgens Arendt, worden opgevat als een wereld waarbinnen individuen het strikt persoonlijke, private overstijgen en relaties met anderen aangaan. Voor Arendt zijn relaties echter alleen mogelijk als er een sprake is van een zekere afstand tussen individuen. Om mensen samen te brengen dient men ze eerst van elkaar te scheiden. De wereld van het publiek domein heeft dan ook een intermediair karakter, in die zin dat ze bij het samenbrengen van mensen er in zekere zin ook tussenin komt te staan.”

Zelf schrijft Arendt, die niet al te toegankelijk schrijft, vandaar dat ik haar door andere uit laat leggen, het zo:

“Het gezamenlijk leven in de wereld betekent in wezen dat zich tussen hen die haar bewonen een wereld van dingen bevindt, zoals een tafel zich bevindt tussen degenen die er aan hebben plaatsgenomen; als door elk ander intermediair worden mensen door de wereld tegelijkertijd verbonden en gescheiden.”

Mensen, gezeten aan die tafel, in gezamenlijk overleg en met erkenning van ieders uniciteit in de pluraliteit van de samenleving, vormen door deel te nemen aan het publieke debat, in de publieke ruimte, het publieke domein, de samenleving. Tjeenk Willink zou zeggen dat die mensen zo tezamen het republikeinse burgerschap, citoyenneté, representeren. Hij

20190210_154611

stelt vast dat het de burgers zijn, ik zou bijna zeggen, gezeten aan de tafel van Arendt, die hun eigen samenleving collectief en individueel gemaakt hebben. En hij lijkt die burgers ook weer op te roepen, zie de ondertitel van zijn boek, om daarmee voort te gaan, het publieke debat vlot te trekken, nu de vertegenwoordigende democratie, onze politici, het laten afweten. Tjeenk Willink ziet het politieke debat verstommen met de ontzuiling, met het neoliberale beleid ingezet door Reagan en Thatcher, met de val van de Muur in 1989. Wat viel er nog vorm te geven, te verbeteren aan de maatschappij, de liberale democratie had gewonnen. Arendt zag deze ontwikkeling, zoals gezegd, al ingezet worden rond 1958. Hol verwoordt Arendt als volgt:

“De afbraak van het publiek domein is voor Arendt zichtbaar in het feit dat aan het politieke in onze samenleving nauwelijks nog een zelfstandige betekenis toekomt. In de moderniteit wordt de politiek in sterke mate instrumenteel opgevat. Politiek handelen wordt hierbij gezien in het licht van bepaalde maatschappelijke doeleinden, zoals welvaart en economische groei. In toenemende mate zijn het economische processen die onze activiteiten, ook de politieke, bepalen en sturen. Tegelijkertijd zien we dat met
deze ontwikkeling voor de burger de ruimte voor politieke participatie verschrompelt.”

Tjeenk willen zou het in zijn boek, ruim 60 jaar later, ongeveer net zo zeggen.

Halsema, Tjeenk Willink en Arendt zien min of meer dezelfde oorzaak voor dat stilvallen van het publiek debat. Halsema zegt het misschien het “politiekst”:

“In de neoliberale economie, waarin mensen vooral als particuliere productie-eenheden worden beschouwd (en als consumenten, zou ik daar aan toe willen voegen), waar ‘there ’s no such thing as society’ , zoals Thatcher het ooit fijntjes samenvatte, kunnen ontworteling en gevoelens van overbodigheid en verlatenheid welig tieren. “

Halsema vervolgt dan met:

20190210_154649

“In principe zouden publieke instellingen een dam moeten opwerpen tegen neoliberalisme en vervreemding, en het publieke domein moeten ondersteunen. Scholen, bibliotheken of theaters, maar ook bijvoorbeeld publieke media zijn openbare ruimten – ‘ontmoetingspunten’ – die samenleving mogelijk maken.”

Hier zie ik dus die denkbeeldige tafel van Arendt zomaar opdoemen in de bibliotheek en aan die tafel kunnen burgers gehoor geven aan de oproep van Tjeenk Willink om het publieke debat nieuw leven in te blazen, om vervreemding tegen te gaan, door aandacht te vragen voor de rol van de burger naast die van de bestuurder en de politicus, bij het verder vormgeven en verbeteren van de samenleving, het publieke domein, en weg te sturen van “de BV Nederland”, geleid door spreadsheet managers en andere (bestuurlijke) professionals, om weer te komen tot een echte samenleving met echte ontmoeting, liefst ook met overheden, om zo ruimte te bieden om aan de hand verhalen, beelden, verbazing en verwondering, nieuwe ideeën en inzichten, inleving (empathie) te bevorderen en om zo ook het vertrouwen in elkaar (terug) te winnen.


De grondwet (II) en zijn bewaker, de Senaat, “een onfris en rammelend relict”

In vervolg op mijn laatste blog over de grondwet:20190102_150111

Sinds 1 februari 2008 mag de Officier van Justitie (OvJ), meestal de aanklager in een strafproces, die zijn aanklacht ter beoordeling aan een rechter voorlegt, zelf een straf opleggen zonder tussenkomst van die rechter. Als een OvJ vaststelt dat een overtreding is begaan dan wel een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld van niet meer dan zes jaar, kan hij een strafbeschikking uitvaardigen (OM-strafbeschikking).  Zo’n straf levert ook een strafblad op en heeft daardoor verstrekkende gevolgen voor de carrière van de gestrafte.

NRC deed een onderzoek naar de praktijk van 10 jaar OM-strafbeschikking en de resultaten waren even onthutsend als voorspelbaar.

Iedere rechtgeaarde aanhanger van de democratische rechtsstaat kent de onschuldpresumptie, is het niet uit de tekstboeken dan is het wel van de misdaadseries. Artikel 6, lid 2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) luidt:  Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.”

Ook kent iedereen, jurist en gewone burger, de algemeen erkende rechtsregel: “geen straf zonder schuld”.

Hoe was het dan mogelijk dat onze nationale wetgever (= regering en de Eerste en Tweede kamer) een wet produceerde, die het mogelijk maakte dat een OvJ burgers strafrechtelijk kon straffen. Straffen dus zonder dat de schuld van die burger “in rechte”, is komen vast te staan”. En met “in rechte” (zie hierboven artikel 6 lid 2 EVRM) kan toch alleen bedoeld worden vaststelling (van die schuld) door een rechter, na een behoorlijk proces.

Oké, soms kan, in de waan van de dag, wanneer het politieke klimaat daar (even) rijp voor lijkt te zijn, in de Tweede Kamer , de “Dirty Harry crimefighter”-mentaliteit, het winnen van de rechtstatelijkheid, maar dan hebben we de Eerste Kamer nog, toch?

Maar nog even terug naar dat onderzoek van de NRC. Folkert Jensma schrijft daarover in rubriek “De Rechtstaat” het volgende: “Ooit werd de strafbeschikking ingevoerd om de rechter te ontlasten van ‘evidente’ zaken die het OM best zelf zou kunnen afstempelen. Maar die blijkt nu uitgelopen op een ramp voor de burger. Die is onterecht gepakt, heeft te snel of te veel betaald en niet bedacht dat een strafblad het gevolg is. Of heeft wel op tijd de weg naar de rechter gevonden en voelt zich alsnog geslachtofferd. De voorbeelden logen er niet om. In 15 procent van de zaken is er onvoldoende bewijs. Burgers die de strafrechter konden vinden, kregen in 39 procent een lagere straf en in een kwart vrijspraak. Die ontkomen dus aan een strafblad. Dit is geen lek in de rechtsstaat, maar een gapend gat.”

20190105_202559

In het redactioneel commentaar van de NRC is het volgende te lezen: “De betreffende wet deugt structureel niet. De Raad van State vond in 2004 al dat de onderliggende ‘wet OM-afdoening’ dubbelzinnig was. En constitutioneel en praktisch ‘bedenkelijk’. De Kamer ging er destijds toch mee akkoord. Het had zich door minister Piet Hein Donner (justitie, CDA) laten overtuigen dat een bestuursorgaan als het Openbaar Ministerie best belast kon worden met straffen. Van een ‘rechterlijk bestraffingsmonopolie’ zou geen sprake zijn in ons staatsbestel. De mogelijkheid van beroep op die rechter bleef immers open.” 

Ja, je hoeft Donner alleen maar het Binnenhof op te zien fietsen, met zijn trenchcoat aan, op zijn rijwiel, duidelijk geen fiets, een vleesgeworden anachronisme, en je weet dat zijn contact met de gewone man, als dat contact al plaatsvind, van vluchtige aard zal zijn.

Zijn juridische betoog over de mogelijkheid van verzet is juist maar die gewone man die bij officieel schrijven een geldboete, een taakstraf of een rijontzegging krijgt opgelegd, zal dat zien als voldongen feit. Die ondergaat zijn straf lijdzaam, in stilte en misschien zelfs met schaamte en denk: “Wie geschoren wordt moet stil blijven zitten”.

Ja menig jurist, die theorie en werkelijkheid zo ziet botsen,  denkt aan de dichtregels van Elschot, uit zijn gedicht “Het Huwelijk” waarin de hoofdpersoon mijmert over de moord op zijn vrouw. In een soort “midlifecrisis” zag hij “hoe de nevel van de tijd in d’ogen van zijn vrouw de vonken uit kwam doven, haar wangen had verweerd, haar voorhoofd had doorkloven toen wendde hij zich af en vrat zich op van spijt.”

“Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad
staan wetten in de weg en praktische bezwaren,
en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,
en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.”

Die daar zo genoemde bezwaren kwamen ook bij mij bij mij weer boven. Die theorie van Donner over de mogelijkheid van verzet klopte maar stuitte op de praktische bezwaren.

En hier stonden geen wetten in formele zin in de weg maar Grondrechten en rechtsstatelijke beginselen, zoals ook de scheiding der machten: de wetgevende, de uitvoerden en de rechterlijke macht (de Trias Politica) .

Maar terug naar die falende Eerste Kamer, die “chambre de refexion”.

Folkert Jensma deed al eerder pogingen de advocatuur wat op te schudden maar die heeft hier toch (te) weinig weerstand tegen geboden en ook de Eerste Kamer heeft zitten slapen. In een wat late “Mea Culpa” van de scheidende senaatsvoorzitter, Ankie Broekers-Knol, bekende deze in een interview in NRC : “Als ik het in m’n eentje kon beslissen, had ik nee gezegd tegen strafbeschikking. ” en ook  gaf zij toe dat de senaat vaak wordt omgepraat om onzorgvuldige wetgeving te steunen.

Langzaam maar zeker ga ik mij scharen onder die criticasters van de Senaat met veel leden, met vele, met het Senaatslidmaatschap onverenigbare nevenfuncties. Gisteren plaatste de NRC, ja ik lees wel andere bladen, maar de NRC is wel bij uitstek een krant die terecht veel aandacht vraagt voor (het behoud van) de democratische rechtsstaat, die NRC dus, plaatste een artikel van Wim Voermans, hoogleraar Staats- en bestuursrecht met als kop en sub kop: “Eerste Kamer: onfris en rammelend relict – De senaat is ondemocratisch en voedt het wantrouwen in de politiek, betoogt . „Waar haalt een zelfbenoemde ‘raad van wijzen’ het recht vandaan zich op te werpen als een soort oppasser?”

Jammer dat de huidige Minister van nu Justitie en Veiligheid (en gelukkig niet meer andersom) Grapperhaus pal achter zijn voorganger en partijgenoot is gaan staan. Zie, nu eens niet NRC maar Mr. Online: Grapperhuis houdt vast aan bekritiseerde strafbeschikking.

En alarmerend dat de huidige politiek stand van zaken, met de helaas daarbij behorende polarisatie en populisme, er toe leidt dat, zelfs in de Senaat, aan mogelijke stemmenwinst/verlies meer waarde wordt gehecht dan aan rechtsstatelijke beginselen.


De Grondwet

Een paar weken voor Kerst liep ik langs “ProDemos”, een instituut, ook wel “Het Huis voor de democratie en rechtstaat “genoemd, gevestigd in een pand gelegen op een steenworp afstand van ons Binnenhof (zie https://prodemos.nl/ ). ProDemos stelt zich ten doel de spelregels van de democratie en de rechtsstaat uit te leggen aan bijvoorbeeld (aanstaande) volksvertegenwoordigers, scholieren, docenten en studenten en laat je zien wat je zelf kunt doen om invloed uit te oefenen – in de gemeente, het waterschap, de provincie, het land en Europa.

20190102_150111

Ik mag daar graag even binnen lopen. Er is een boekwinkel aan verbonden met natuurlijk in hoofdzaak boeken over politiek, democratie staatsinrichting en staatslieden. Ik voel me daar, vlak bij de Eerste en Tweede Kamer, het Torentje van de minister-president, Nieuwspoort, altijd nauw verbonden met ons mooie goed geregelde landje waarin zoveel moeite wordt gedaan om iedereen “recht te doen”. Daarbinnen, in de boekenafdeling van ProDemos viel mijn oog op een mooi uitgegeven tekst van onze Grondwet. Ieder jaar koop ik voor de medewerkers van ons advocatenkantoor een klein, vaak wat stichtelijk boekje. En u raadt het al, ik liep met acht schitterend ingepakte Grondwetten, die winkel uit.

In zijn Kersttoespraak haalde de Koning, Eleanor Roosevelt aan, de drijvende kracht achter die Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, een verklaring aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 10 december 1948, 3 jaar na einde van de Tweede Wereldoorlog, nu 70 jaar geleden.

Eleanor Roosevelt zei: “Waar beginnen mensenrechten? Op plekken dicht bij huis, zó dichtbij en zó klein dat ze op geen enkele kaart zichtbaar zijn.”

Ook na 70 jaar is dat niet anders. In het nieuws zien we gewone, nee, moedige mensen de straat opgaan, vaak met gevaar voor eigen leven om hun grondrechten gerespecteerd te krijgen.

Nederland is “een van die beste plekken ter wereld”, om met de Koning te spreken, waar iedereen, zonder groot risico te lopen en beschermd door de Grondwet, voor zijn rechten op mag komen.

De Koning prees de “Actieve burgers die het ondanks alle verschillen samen willen bolwerken. Dát is de rode draad die door onze geschiedenis loopt, tot op de dag van vandaag. Dat is wat ons sterk maakt.”

“De Nederlandse norm, aldus onze Koning, is dat we oog hebben voor elkaar en het gedeelde belang. Dat we samenwerken en geven en nemen. Deze norm mogen we nooit laten vervagen!”

Laat dat ook onze opdracht zijn voor 2019.


Vertrouwen

Tijdens de avond van de verkiezing van de Ondernemer(s) van het Jaar Weststellingwerf, georganiseerd door de Commerciële Club Weststellingwerf ,trad weer een zeer inspirerende en enthousiasmerende spreker op: Allard Droste. Ik kan een heleboel over hem vertellen, maar bekijk deze video en u leest mijn blog, vrees ik, eerst niet verder.

Bent u daar weer of nog?

Allard Droste pleit voor meer vertrouwen, in zijn voorbeelden, meer vertrouwen op (de mensen op ) de werkvloer. Hij heeft dat in zijn onderneming, mag ik zeggen, op extreme wijze doorgevoerd, al zal hij dat “extreme” willen relativeren.

Hij heeft het over het rare fenomeen, dat op alle gebied capabele en deskundige mensen op het moment dat ze als werknemers de fabrieks- of bedrijfspoort binnenkomen, zij bij toverslag handelingsonbekwaam worden bevonden en controle, instructie, correctie en toezicht behoeven.

Als een al wat oudere jurist doet me dat denken aan die handelingsbekwame volwassen vrouw die voor 1956, door huwelijk handelingsonbekwaam werd. Vanaf dat moment was haar echtgenoot de baas, ook bezopen. De werknemers krijgen, ook anno 2018, bij binnenkomst “op de zaak” (de bewaarschool voor werknemers m/v) een “baas” boven zich. Alsof zij dan opeens, ondanks al hun vaardigheden en kwaliteiten, gewantrouwd moeten worden.

Voor Droste’s aanstekelijk optimisme en blind vertrouwen in zijn medewerkers en in de mensheid moet u echt de video bekijken, maar hier ga ik door op dat thema vertrouwen.

Dat Nederland en eigenlijk het gehele “Westen” in een vertrouwenscrisis verkeert, werd beeldend verwoord door de oud politicus, thans een nog wijzer mens, Jan Terlouw, toen hij het over het “touwtje uit de brievenbus” had in “De Wereld Draait Door”.

En meer journalistieke beschouwing over het algehele verlies aan vertrouwen trof ik aan in een artikel in de Groene Amsterdammer van Marcel ten Hooven . In een eerder blog van mij schreef ik daarover:  “In alle sectoren van de markt en zelfs bij publieke instellingen werd efficiëntie met de daarbij behorende protocollen en controle door managers hoger aangeslagen dan vakdeskundigheid. Journalist Marcel ten Hooven verzuchtte in zijn artikel, onlangs: Was “wie het weet mag het zeggen” nog het parool van de oudere werkcultuur, nu gold “Wie het meet mag het zeggen”. Van de zorg tot de rechtspraak is de zeggenschap verschoven van de vakbekwame professional naar degenen met verstand van procesmanagement en kostenbeheersing, van controlemethodes, prestatiemetingen en functioneringsgesprekken.” Het werk van deze “afvinkers” van checklists, de “bullshitjobs”, zijn “de nieuwe kleren van de keizer” geworden.”

De meest recente signalering van het verdwijnen van het vertrouwen is afkomstig van de scheidend vicevoorzitter van de Raad van State Herman Tjeenk Willink. In een interview met hem gepubliceerd in het Financieel Dagblad 10 december 2018.

In meer bredere zin is zijn zorg “dat we de publieke zaak structureel aan het uithollen zijn.” Gezien zijn functie als adviseur van de regering heeft hij het dan  in hoofdzaak over het gedrag en beleid van de publieke sector.

Tjeenk

Foto Wiebe Kiestra voor het FD

 

De interviewers Rob de Lange en Ulko Jonker stelde vast dat Tjeenk Willink meerder malen zijn bezorgdheid uitsprak over de steeds dikke tussenlaag van controle en toezicht tussen de ministers en de professionals op de werkvloer. Zijn bijna retorische vragen en opmerkingen als: “Hoe is het mogelijk dat professionals de overheid voornamelijk op hun weg vinden in plaats van door haar te worden gefaciliteerd? ” en kort daarna zijn opmerking “Professionals zijn soms tot 40% van hun tijd kwijt aan administratieve verplichtingen wijzen duidelijk één kant op: “De oorzaak van het dichtslibbende systeem is dat ‘het mechanisme drijft op het uitsluiten van risico’s met wantrouwen als resultaat.” Toch ziet hij bemoedigende initiatieven:  “Ik zie zeer competente professionals op de werkvloer die houden van hun vak en zich daarom verzetten tegen de regels en controles. Ik zie rechters die in vaak zeer ingewikkelde kwesties zoeken naar wat rechtvaardig en redelijk is en daarom weigeren om hun uitspraken ‘producten’ bestemd voor ‘klanten’ te noemen. Zonder onafhankelijke rechters geen democratie. In een bijna gelijktijdig interview gepubliceerd in NRC op 12 december 2018 is zijn uitspraak te lezen: “Gele hesjes ontstaan als we langdurig de democratische rechtsorde aan onze laars lappen.” Gele hesjes

Het interview in het FD eindigt, na ook een verwijzing naar de gele hesjes, met een oproep aan al diegene die niet een “baas” à la Allard Droste hebben: “Waarom komen de professionals niet meer in actie? ‘De positie van individuele uitvoerders is zwak, ook juridisch. De gevraagde formulieren domweg invullen is dan makkelijker dan in actie komen. Maar ze hebben een ijzersterke casus. Als zij niet goed functioneren heeft de overheid een probleem. Het kan nog zo goed gaan met Nederland, maar als het op individueel niveau niet zo wordt ervaren wordt het maatschappijbreed buitengewoon onrechtvaardig gevonden.”


Vertrouwen

Tijdens de avond van de verkiezing van de Ondernemer(s) van het Jaar Weststellingwerf, georganiseerd door de Commerciële Club Weststellingwerf ,trad weer een zeer inspirerende en enthousiasmerende spreker op: Allard Droste. Ik kan een heleboel over hem vertellen, maar bekijk deze video en u leest mijn blog, vrees ik, eerst niet verder.

Bent u daar weer of nog?

Allard Droste pleit voor meer vertrouwen, in zijn voorbeelden, meer vertrouwen op (de mensen op ) de werkvloer. Hij heeft dat in zijn onderneming, mag ik zeggen, op extreme wijze doorgevoerd, al zal hij dat “extreme” willen relativeren.

Hij heeft het over het rare fenomeen, dat op alle gebied capabele en deskundige mensen op het moment dat ze als werknemers de fabrieks- of bedrijfspoort binnenkomen, zij bij toverslag handelingsonbekwaam worden bevonden en controle, instructie, correctie en toezicht behoeven.

Als een al wat oudere jurist doet me dat denken aan die handelingsbekwame volwassen vrouw die voor 1956, door huwelijk handelingsonbekwaam werd. Vanaf dat moment was haar echtgenoot de baas.  De werknemers krijgen, ook anno 2018, bij binnenkomst “op de zaak” (de bewaarschool voor werknemers m/v) een “baas” boven zich. Alsof zij dan opeens, ondanks al hun vaardigheden en kwaliteiten, gewantrouwd moeten worden.

Voor Droste’s aanstekelijk optimisme en blind vertrouwen in zijn medewerkers en in de mensheid moet u echt de video bekijken, maar hier ga ik door op dat thema vertrouwen.

Dat Nederland en eigenlijk het gehele “Westen” in een vertrouwenscrisis verkeert, werd beeldend verwoord door de oud politicus, thans een nog wijzer mens, Jan Terlouw, toen hij het over het “touwtje uit de brievenbus” had in “De Wereld Draait Door”.

En meer journalistieke beschouwing over het algehele verlies aan vertrouwen trof ik aan in een artikel in de Groene Amsterdammer van Marcel ten Hooven . In een eerder blog van mij schreef ik daarover:  “In alle sectoren van de markt en zelfs bij publieke instellingen werd efficiëntie met de daarbij behorende protocollen en controle door managers hoger aangeslagen dan vakdeskundigheid. Journalist Marcel ten Hooven verzuchtte in zijn artikel, onlangs: Was “wie het weet mag het zeggen” nog het parool van de oudere werkcultuur, nu gold “Wie het meet mag het zeggen”. Van de zorg tot de rechtspraak is de zeggenschap verschoven van de vakbekwame professional naar degenen met verstand van procesmanagement en kostenbeheersing, van controlemethodes, prestatiemetingen en functioneringsgesprekken.” Het werk van deze “afvinkers” van checklists, de “bullshitjobs”, zijn “de nieuwe kleren van de keizer” geworden.”

De meest recente signalering van het verdwijnen van het vertrouwen is afkomstig van de scheidend vicevoorzitter van de Raad van State Herman Tjeenk Willink. In een interview met hem gepubliceerd in het Financieel Dagblad 10 december 2018.

In meer bredere zin is zijn zorg “dat we de publieke zaak structureel aan het uithollen zijn.” Gezien zijn functie als adviseur van de regering heeft hij het dan  in hoofdzaak over het gedrag en beleid van de publieke sector.

Tjeenk

Foto Wiebe Kiestra voor het FD

 

De interviewers Rob de Lange en Ulko Jonker stelde vast dat Tjeenk Willink meerder malen zijn bezorgdheid uitsprak over de steeds dikke tussenlaag van controle en toezicht tussen de ministers en de professionals op de werkvloer. Zijn bijna retorische vragen en opmerkingen als: “Hoe is het mogelijk dat professionals de overheid voornamelijk op hun weg vinden in plaats van door haar te worden gefaciliteerd? ” en kort daarna zijn opmerking “Professionals zijn soms tot 40% van hun tijd kwijt aan administratieve verplichtingen wijzen duidelijk één kant op: “De oorzaak van het dichtslibbende systeem is dat ‘het mechanisme drijft op het uitsluiten van risico’s met wantrouwen als resultaat.” Toch ziet hij bemoedigende initiatieven:  “Ik zie zeer competente professionals op de werkvloer die houden van hun vak en zich daarom verzetten tegen de regels en controles. Ik zie rechters die in vaak zeer ingewikkelde kwesties zoeken naar wat rechtvaardig en redelijk is en daarom weigeren om hun uitspraken ‘producten’ bestemd voor ‘klanten’ te noemen. Zonder onafhankelijke rechters geen democratie. In een bijna gelijktijdig interview gepubliceerd in NRC op 12 december 2018 is zijn uitspraak te lezen: “Gele hesjes ontstaan als we langdurig de democratische rechtsorde aan onze laars lappen.” Gele hesjes

Het interview in het FD eindigt, na ook een verwijzing naar de gele hesjes, met een oproep aan al diegene die niet een “baas” à la Allard Droste hebben: “Waarom komen de professionals niet meer in actie? ‘De positie van individuele uitvoerders is zwak, ook juridisch. De gevraagde formulieren domweg invullen is dan makkelijker dan in actie komen. Maar ze hebben een ijzersterke casus. Als zij niet goed functioneren heeft de overheid een probleem. Het kan nog zo goed gaan met Nederland, maar als het op individueel niveau niet zo wordt ervaren wordt het maatschappijbreed buitengewoon onrechtvaardig gevonden.”


Samenleven en de lessen van Wim Kok

Vorig jaar won Bart Somer, sinds 2001 burgemeester van Mechelen, de World Mayor Prize, voor de beste burgemeester van de wereld. Ik wist niet dat die prijs bestond, maar de ideeën van Bart Somer over diversiteit spreken mij aan.

Omgaan met diversiteit volgens Somer

Over diversiteit binnen zijn stad zegt Somer: „Linkse politici herleiden mensen tot slachtoffers. Rechtse herleiden ze tot problemen, profiteurs van de sociale zekerheid en veroorzakers van overlast en criminaliteit. Beide groepen spreken over dé Marokkaan, dé Antilliaan, dé moslim. Die segregatie moet je doorbreken. Wij zien mensen expliciet niet als onderdeel van een gemeenschap. We organiseren geen gesprekken met gemeenschappen of gemeenschapsleiders. Er is in Mechelen maar één gemeenschap, en dat is de stad.“ Hij bedoelde daar de gemeenschap, niet als hokje of bubbel, maar als politieke samenleving waarin de mensen op elkaar zijn aangewezen en het met elkaar moeten doen. (Zie NRC )

Een stad of een samenleving valt inderdaad als los zand uiteen wanneer groepen zich afsplits van die samenleving. Die afgesplitste groepen beroepen zich vaak op een eigen, unieke en door “de anderen” onvoldoende erkende identiteit. Die miskenning van de eigen identiteit leidt dan weer tot gekwetstheid en slachtofferschap.

De video column van Tinneke Beeckman

Tinneke Beeckman, Vlaams filosoof over dat slachtofferschap: “Het volstaat om je een slachtoffer van discriminatie te noemen om je gelijk te krijgen.” Zij beschrijft in een korte video column

 

Aan de ander kant staan groepen, vaak gevormd door de oude oorspronkelijke bewoners van een stad en regio, die weer niets kunnen met die “gekwetstheid”. Bij hen ontstaat de angst dat zij te veel van hun oude eigenheid en tradities moeten prijsgeven. Ik hoef maar “zwarte piet”, “verstopeieren” of recenter “winterfeest” te noemen en u weet wat ik bedoel. En dan helpt het niet dat politici en de media goed garen spinnen bij deze tegenstellingen, het levert stemmen en kijkers op.

Nee, dan kunnen we beter naar de beste burgemeester van de wereld luisteren die meent dat verschillen er mogen wezen. Maar hij zegt ook: “We moeten de wet en de principes waarop onze samenleving gebaseerd is respecteren om onze vrijheid te bewaken, dat spreekt voor zich. Maar zolang verschillen onze fundamentele principes niet schenden, what the fuck is dan het probleem? We moeten ophouden te denken dat we altijd iets kwijtraken als we iets geven.” Inschikken en toegeven, over en weer, is de essentie van een goede democratische samenleving.

De lessen van Wim Kok

En dan met een variatie op  uitspraken van Wim Kok,  inschikken niet om het inschikken maar om tot elkaar te komen.

Op de vraag van Ivo Niehe in de TV Show aan de vooravond van de verkiezingen van 1998:  “U bent iemand die voor het compromis het vuur het sloffen loopt? “ antwoordt Kok, zie “de video “Een eerbetoon aan de oud-staatsman Wim Kok” (na 6 min. 6 sec ) Hier een soort transcriptie:

csm_Wim-Kok-zw_0dc20ce284

van de site van AVROTROS

“Ja maar niet vanwege het compromis, daar hou ik absoluut niet van. Ik vind het niet prettig, dat zou ik ook absoluut niet kunnen om met voorbij gaan aan eigen inzichten dus altijd maar te zoeken naar, waar is weer die brug naar de andere opvatting en dat tellen we op en dat delen we door twee en dat is het dan. Maar ik ben er altijd wel op uit om, als er meningen zijn, toch achter die meningen te kijken en waar is het op gebaseerd, wat is de redenering, is het nu echt een tegenstelling, nee misschien als je een beetje doorpraat, – dat heb je toch thuis, gewoon in je gezin en met je kinderen en zo heb je dat toch ook, of met anderen, met vrinden- , je zegt dat nou wel maar laten we daar nu eens over doorpraten. En dat is dan nog niet eens zo zeer een comprimis maar “eens’ van een `common ground’ waarop we verder gaat”

Die bijna heilige opdracht om de verbinding te zoeken verdween uit de politiek met de komst van Frits Bolkestein. Zijn reactie op de vraag aan hem, na het overlijden van Wim Kok: Wat heeft u van Wim Kok geleerd, was dan ook typerend voor het nieuwe politieke klimaat:  “Niks. Wat had ik van hem moeten leren? Hij was leider van de PvdA, ik van de VVD.