Ill fares the Land zonder moreel kompas

“Ill fares the land, to hastening ills a prey, Where wealth accumulates, and men decay.”        (Oliver Goldsmith , The Desert Village (1770). Een 18e eeuwse aanklacht tegen de toen al opkomende industrialisatie. Accumulatie van rijkdom, efficiënte productie ten koste van de mens, van de menselijke waardigheid.  Tony Judt , een belangrijk denker en historicus uit Engeland, moest geïnspireerd zijn geweest door Goldsmith toen hij zijn laatste boek voor zijn dood in 2010 ook die titel meegaf: “Ill fares the Land”. Een boek waarin Judt “ons uitdaagt om de confrontatie aan te gaan met onze maatschappelijke problemen – en de verantwoordelijkheid te nemen voor de wereld waarin we leven. En Judt draagt alternatieven aan: er is hoop, zolang we durven na te denken”, aldus een recensie van dat boek op de site Athenaeum Boekhandel.

20180317_134247

ING

Wat is nieuw in 2018 als we ons druk maken over die “accumulatie” van rijkdom binnen het ING-concern.

Kloof tussen rijk en arm

Oxfam Novib berekende onlangs dat in 2017 de rijkste 1 procent meer dan 50 procent van het totale mondiale vermogen bezat.  De vermogensgroei van de alle miljardairs op de wereld, die ook in 2016 ook al miljardair waren, bedroeg 762,5 miljard dollar. Om alle bewoners van de aarde die nu nog onder het extreem lage inkomensniveau “leven” van 1,90 dollar per dag, boven die 1,9 doller te tillen, is slechts 107 miljard dollar nodig. Dat is 1/7 deel van alleen die inkomensgroei van de miljardairs op de wereld.

Die exorbitantie hoge geneesmiddelenprijzen

Een ander recent nieuwsfeit dat mij deed twijfelen aan die zegeningen van de het vrijemarktkapitalisme was de, ja weer, perverse marktprijs van sommige geneesmiddelen tegen zeldzame ziekten zoals, taaislijmvlies en de spierziekte SMA. Die medicijnen zijn ongetwijfeld ontwikkeld door academici die zijn opgeleid door, grotendeels door de staat gefinancierde wetenschappelijke opleidings- en onderzoeksinstituten. Hoe kan het dan de farmaceutische industrie er uiteindelijk met de buit van door kunnen gaat. En wat voor buit: een jaar lang Spinraza, het medicijn dat helpt tegen SMA, kost € 505.000 en is daarmee het duurste medicijn ter wereld. Bij taaislijmvlies is die “jaarprijs” € 170.000.  De neiging om die fabrikanten Biogen (SMA) en Vertex (taaislijmvlies)  en eigenlijk de gehele farmaceutische industrie, te nationaliseren is dan moeilijk te onderdrukken.  Echter “tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren,”. 

“De zegeningen van de vrije markt”

Hoe komt het dat er sinds die industriële revolutie, ondanks de daaraan voorafgaande Verlichting, men tot op de dag van vandaag zo heilig is blijven geloven in “de zegeningen van de vrije markt?”

De bankencrisis heeft ons na de dreun van “de val van de Muur”, uiteindelijk niet op andere gedachten gebracht. Dat die ING directeur nu met slechts 2 miljoen euro moet zien rond te komen, kan niet als een afkeer van het kapitalisme gezien worden maar meer als een kleine hype.

Maar acht jaar na het verschijnen van het boek van Tony Judt “Ill fares the Land” geeft het NRC een bespreking van twee recent verschenen boeken met, naar ik begrijp min of meer dezelfde strekking als “Ill fares te Land” . Die recensies worden geplaatst onder de kop: “Het fiasco van de vrije markt“.

20180317_160724 (1).jpg

Hoewel de recensent in de besproken boeken een verwijzing naar “Het Kapitaal” van Karl Marx mist, komen gedachten aan het communisme in mij op. Zeker na lezing van dat prikkelende manifest van Gustaaf Peek uit 2017: “Verzet, pleidooi voor communisme”

Helaas heeft in Nederland “de derde weg”, naast of tussen Kapitalisme en Communisme, het Rijnlands model, na de periode Reagan en Thatcher ook al lang weer verlaten. Nauwelijks vindt nog een demping plaats van die meedogenloze gevolgen van het “Laisser-faire” vrije markt denken.  Men blijft ook maar privatiseren, zelf de rechtspraak moet gaan concurreren met de markt. Na de val van de Muur bekeerde zelfs de sociaal-democratie zich tot het geloof in de vrije markt: “maakten we onszelf wijs dat we helemaal geen overheid nodig hadden” aldus Sander Heijne, schrijver van een van de in het NRC beschreven boeken.

Vermelding verdienen ook de recente uitspraken van de oud topman van Philips, de heer Jan Timmer. In mijn ogen destijds de vleesgeworden kapitalist. Maar wat lees ik in een recent interview van hem De Volkskrant (zie Blende), sprekend over “het lelijke gezicht van het kapitalisme zegt hij: “De politiek heeft gedacht dat het kapitalisme zichzelf zou kunnen reguleren. Dat is een groteske ontkenning van de menselijke natuur. Mensen willen bedriegen en bedrogen worden. Europeanen denken dat vrijhandel een groot goed is. Dat roepen Amerikanen en Aziaten ook. Maar in werkelijkheid hebben ze vrijhandel ondergeschikt gemaakt aan macht.” Bien étonné de se trouver Jan Timmer en Tony Judt ensemble”.

20180317_160611

Heel lokaal

In de inleiding op zijn boek “Ill fares the Land , in de Nederlandse vertaling door Wybrand Scheffer “het Land is moe” schrijft Judt: “Toch is de verzorgingsstaat onder degenen die er voordeel van hebben geliefder dan ooit: in Europa is nergens draagvlak voor de afschaffing van de openbare gezondheidszorg, beëindiging van het gratis dan wel gesubsidieerd onderwijs of terugdringing van de bemoeienis van de overheid met het openbaar vervoer en andere essentiële diensten.”  Sterker nog “kamerbreed”ontstaat nog steeds verontwaardiging over misstanden in het (overigens ook al aan privatisering ten prooi gevallen) openbaar vervoer. In in mijn gemeente Weststellingwerf maakt ook  de plaatselijke VVD afdeling zich ook sterk voor de terugkeer van een “intercitystop” te Wolvega.

Hoe nu verder?

“We no longer ask of a judicial ruling or a legislative act: is it good? Is it fair? Is it just? Is it right? Will it help bring about a better society or a better world? Those used to be the political questions, even if they invited no easy answers. We must learn once again to pose them.” ( In de vertaling: “Van een rechterlijk oordeel of een juridische stap vragen we ons niet meer af of die terecht, eerlijk, rechtvaardig of juist is, en al helemaal niet of die zal bijdragen aan de totstandkoming van een betere maatschappij of een betere wereld. Hoe moeilijk de antwoorden soms ook konden zijn, ooit waren dat dé politieke vragen. We moeten opnieuw leren die vragen te stellen.”)

Met deze zinnen leidt Judt zijn boek, uitgegeven in het jaar waarin hij stierf, 2010, in. Zijn zoon Daniel Judt (Yale University) aan wie hij zijn boek ook mede opdroeg nam het stokje al in 2011 van zijn vader over, als 16 jarige met zijn essay ” Rethinking Politics in the Classroom“.

Niet verrassend maar daarom niet minder waar ziet de zoon de oplossing in het onderwijs. “Rethinking Politics” , het herdefinieren, het opnieuw uitvinden van politiek.

We zijn ons vaak wel bewust van onrecht(vaardigheden), van oneerlijkheid en ongelijkheid maar we leren niet en zeker niet op in “the classroom” om daar diepgaand over na te denken in een meer ethische filosofische wijze.20180317_161543

Denken, nadenken , Hannah Arendt heeft er boeken over vol geschreven. Ik zou het willen aanvullen met empathie en met het tot je nemen van literatuur.

Daniel Judt komt dan al kind en leerling van zijn vader tot de aanbeveling: “So why not put that sort of thinking into a course? Students will then focus on it and will gradually realize that ethical and moral questions, not questions of money and production, are the true political questions. Ideally, the course would help students build an immunity to simplistic political debate and the evasion of difficult moral questions.”

Hij toont zich hier niet alleen een kind en leerling van zijn vader maar ook een volgeling van Hannah Arendt.  Denken, nadenken , Hannah Arendt heeft er boeken over vol geschreven. Inderdaad, het zijn de ethische en morele vragenstukken waar de politiek zich bij uitstek op dient te richten en niet de vragen over geld en productie.  Een ideale opleiding zou studenten immuun moeten maken voor iedere afleiding van die hoofdzaak: de op te lossen morele ethische kwesties.

Judt sluit zijn inleiding af met een kritische opmerking van één van zijn jongere collega’s op zijn boek:

“Het opmerkelijkst aan hetgeen u zegt is niet de inhoud maar de vorm,’ schreef zij. ‘U schrijft dat u boos bent om onze politieke zwijgzaamheid, over de noodzaak dat er in ons door de economie gestuurde denken een tegengeluid weerklinkt, en over de dringende behoefte aan een terugkeer naar een ethisch-inhoudelijk openbaar debat. Niemand heeft het daar tegenwoordig nog over.’ Vandaar dit boek.

Hoe kan het dat bovengenoemde uitwassen van die vermaledijde vrije markt, – zoals recent die ING affaire, die onbetaalbare geneesmiddelen, de groeiende kloof tussen arm er rijk, –  dat jonge maar tot op heden onwrikbare geloof in “de heilige vrij markt” of zo u wilt in die “onzichtbare hand” die die markt bestiert, onberoerd laat.

Daarvoor roept Judt ook in zijn inleiding Alexis de Tocqueville aan:

“Als vanzelf bekruipt mij de vrees dat de mens ooit elke nieuwe theorie als een gevaar, elke vernieuwing als een moeizaam probleem en elke sociale vooruitgang als een eerste stap op weg naar de revolutie zal zien, en dat hij dan helemaal zal weigeren zich nog te bewegen.”