Iedereen wordt verondersteld de wet te kennen.

Je kan van dit kabinet zeggen wat je wil, maar de productie is groot. De ene nieuwe wet na de andere wordt door de kamers geloodst. Begin dit jaar zijn vele nieuwe wetten in werking getreden o.a. op het gebied van Zorg, Bijstand en Arbeid.

Het voert te ver om hier alle wijzigingen op het gebied van bijvoorbeeld het arbeidsrecht te bespreken. Maar vele werkgevers zullen nog niet precies weten wat bijvoorbeeld de nieuwe “aanzeggingsplicht” inhoudt: Bij tijdelijke arbeidsovereenkomsten van 6 maanden of langer geldt per 1 januari jl. dat de werkgever een werknemer minimaal een maand voor het aflopen van het contract schriftelijk moet informeren of hij het contract al dan niet wil voortzetten. Dit is maar één van de vele veranderingen die in dit nieuwe jaar van kracht zijn geworden, en die andere ken ik ook lang niet allemaal.

Wie weet er dat je in de gemeente Weststellingwerf geen bomen mag hebben binnen een halve meter van de grenslijn met andermans erf?

Wanneer je na het overlijden van je wat aan lagerwal geraakt familielid, alvast het huis van de overledene ontruimt, loop je het risico dat je ook met de schulden van dat familielid opgescheept kan worden. Het leeghalen van dat huis, kan wettelijk gezien, uitgelegd worden als zuiver aanvaarding van de erfenis van dat familielid. En die erfenis zou wel eens hoofdzakelijk uit schulden kunnen bestaan.

Toch worden wij allen verondersteld de wet te kennen. Dus die kwajongen die op oudejaarsdag tegen oom agent zei: “ik wist helemaal niet dat ik voor 18:00 uur nog geen vuurwerk af mocht steken, pleit zich met dat “ik wist dat niet – verweer“, niet vrij.

Zonder die fictie dat iedereen verondersteld wordt de wet te kennen zou iedereen “dat wist ik niet” of “die regel kende ik niet” kunnen roepen. Als je er zo mee weg zou komen wordt het recht uiteindelijk onuitvoerbaar, dan wordt het kort gezegd een puinhoop. En daarom moeten, zoals helaas wel vaker, de goeden (echt onwetenden) onder de kwaden lijden.


Non, je ne suis pas Dieu

#Non, je ne suis pas Dieu

“Eenheid zonder verscheidenheid is verstikkend. Verscheidenheid zonder eenheid is los zand. Nederland is meer dan zeventien miljoen selfies. We hebben elkaar nodig, sterker dan we vaak zelf beseffen.” (uit de kersttoespraak van Koning Willem Alexander)

De Koning als volgeling van Albert Camus. Bien étonnés de se trouver ensemble. De vergelijking is ook wat geforceerd maar die verstikkendheid van de “Eenheid” inspireerde mij.

Albert Camus[1] schrijver en filosoof (1913-1960) geboren in Algerije, ontving ik 1957 de Nobelprijs voor de Literatuur. Was lid van de communistische partij in Algerije (van daar die bovenbedoelde verbazing), maar toen er een conflict ontstond over de positie van de moslims binnen die partij koos hij de kant van de moslims en verklaarde die keuze door te schrijven: “Ik geef de voorrang aan het leven boven de leer, en het is altijd het leven dat de leer overwint. Een een doel dat onrechtvaardige middelen nodig heeft is geen rechtvaardig doe. Weg van Machiavelli, maar naar Luther, Goethe of Brecht: “Jeder prinzip führt zum Teufel”. Tijdens het nazi-regime is zijn afkeer voor iedere vorm van totalitarisme, van fascisme tot communisme gegroeid. Hij vond een bondgenoot in Hannah Arendt. In zijn boek, “De mens in opstand” zoekt Camus naar vormen van verzet tegen elke beweging of richting die de mens vernedert of als ding behandelt. De mens als individu staat bij Camus voorop. Verscheidenheid of individualisme tegenover de door de leer, het ideaal, de utopie, de religie of politieke overtuiging afgedwongen “verstikkende Eenheid” die uiteindelijk tot het kwaad zal leiden.

“Met De mens in opstand verwoordt Camus de diepgevoelde behoefte aan solidariteit in een absurde wereld (nl. een wereld zonder leer of logica edv). [2]  De solidariteit als middel om dat los zand toch iets gemeenschappelijks te geven en het leven iets om voor te leven. Maar die absurde wereld moet wel absurd blijven, zonder plan of leer, maar vol noodlot en toevalligheden.

“Nee, de mens woelt onrustig in zijn bestaan en stelt zichzelf vragen. Om recht te doen aan zichzelf moet hij in verzet komen, maar hij moet daarbij ook het leven van de anderen respecteren. Hij die geobsedeerd is door slechts het Goede te willen, zal vroeg of laat deze grens overtreden: hij zal een systeem bouwen of zich aansluiten bij een heilsprofetie en strijder worden voor de goede zaak: een moordenaar, een onderdrukker. Ongetwijfeld waren de mensen die met goddelijke hoogmoed de vliegtuigen in de Twin Towers boorden vervuld van hun eigen overtuiging het absoluut Goede te doen. In plaats van deze mensen opzij te schuiven als engelen van het Kwaad, zouden we er goed aan doen Camus te herlezen en te begrijpen dat het om mensen ging met idealen en beelden van een paradijs, mensen als wijzelf zijn.” aldus Ruud Welten.

Bij Nelleke Noordervliet tref ik een zelfde gedachte aan: “Op een moment keert de uiterste consequentie zich tegen de eigen overtuiging. Het doet er niet toe hoe die overtuiging luidt. Of het een boodschap is van vrede of geweld. Of het een systeem is van insluiting of uitsluiting. Of het de markteconomie verdedigt of de sociale verzorgingsstaat. Of het een religie is of een politiek ideaal.
Elk geloof herbergt het kwaad. Vroeg of laat overschrijdt een mens met het Gedachtengoed van de Grote Leider in de hand de grens. Vliegt hij de Twin Towers in. Of zwaait hij het zwaard van een Tempelier. Of volgt ze het hype egoïstische nietsontziende radicaal rechtse machtsdenken van Ayn Rand”

We kunnen in beide citaten “het Twin Towers voorbeeld ” helaas weer aanvullen met “het Charlie Hebdo”.

Zelfs die leer waar we het dezer dagen zoveel over hebben “liberté, égalité et fraternité” heeft vele slachtoffers veroorzaakt. Na de onthoofding van koning Lodewijk en zijn vrouw, koningin Marie-Antoinette, zouden er nog vele koppen rollen. Na het uitvaardigen van de eerste versie van onze moderne mensenrechten: De verklaring van de rechten van de mens en de burger, zijn er in naam van die nieuwe leer, tijdens “de Terreur” (het Schrikbewind), nog 40.000 hoofden van de guillotine gerold.

In het slothoofdstuk van “De opstandige mens” schrijft Camus: “Maar als de mens in staat zou zijn in zijn eentje eenheid in de wereld te brengen, als hij op bevel oprechtheid, onschuld en gerechtigheid kon laten heersen, zou hij God zelf zijn.” Verder naar het slot haalt hij zijn ideale opstandige Kaljajev aan, een Russische terrorist die voor zijn executie in 1905, de wereld liet weten wat de mens, in al zijn opstandigheid, moet doen: leren leven en sterven en, om mens te zijn, weiger god te zijn.

[1] Zie het Nawoord van Daan Roovers bij De Mens in opstand, Olympus, waaraan ik citaten beelden en ideen ontleen.

[2] Daan Roovers, noot 1