Partneralimentatie is niet meer van deze tijd

Het in twijfel trekken van wat algemeen aanvaard lijkt, is advocaten niet vreemd. Het helpt daarbij als je er zelf, als advocaat, ook van overtuigd bent, dat het “in twijfel te trekken idee” inderdaad niet meer van deze tijd is. Dat  geldt voor mij dus voor partneralimentatie, de plicht aan de ene partner opgelegd na echtscheiding, om bij te dragen in het levensonderhoud van de andere partner.

De wet bepaalt nu nog: “De rechter kan bij de echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak aan de echtgenoot die niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich in redelijkheid kan verwerven, op diens verzoek ten laste van de andere echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud toekennen.” En hoewel er dus “kan” staat, is het anno 2014 nog steeds regel dat de rechter op basis van deze bepaling partneralimentatie oplegt.

Mijn zoektocht naar de rechtsgrond van de alimentatieverplichting die de rechter op kan leggen, heeft geen overtuigende argumenten opgeleverd. Een plicht tot betaling veronderstelt in zijn algemeenheid een schuld. Maar als de betalingsplichtige echtgenoot m/v niet “schuldig” is aan dat niet kunnen verwerven van voldoende inkomen door de ex, moet de rechtspraak terugvallen op een gekunstelde constructie. Het huwelijk zou een “lotsverbondenheid” tussen echtgenoten in het leven roepen. De mogelijkheid van de rechter om aan een van beide partners een onderhoudsverplichting op te leggen wordt dan dus opgehangen aan dat moeilijk vatbare begrip “lotsverbondenheid”.

Dat ophangen vindt vaak weinig overtuigend plaats. Zo trof ik de volgende cirkelredenering aan in een uitspraak:

“ De rechtbank is van oordeel dat er anders dan de man stelt wel sprake is van lotsverbondenheid van de echtgenoten. Het gaat niet om het gevoel van lotsverbondenheid. Bij procedures over partner-alimentatie is dat gevoel er meestal niet meer. Het is de omstandigheid dat mensen feitelijk hun lot aan elkaar hebben verbonden. Dat maakt dat de financiële banden bij scheiding niet ineens kunnen worden doorgesneden. Partijen zijn in 196x met elkaar getrouwd. Hun lotsverbondenheid is daarmee gegeven. De man is onderhoudsplichtig jegens de vrouw.”

 In het recente proefschrift van mevrouw mr. Naomi Daphna Spalter  “Grondslagen van partneralimentatie” op welk proefschrift zij op 18 september 2013 is gepromoveerd tot Doctor[1], vond ik een duidelijke uitleg van het ontstaan van deze krakkemikkige onderbouwing van de alimentatieplicht.

Partneralimentatie werd van oudsher als een vorm van schadevergoeding gezien in het oude – op schuld gebaseerde – Nederlands recht van vóór de liberalisering van het echtscheidingsrecht in 1971. Voor 1971 gold als rechtvaardiging van (het opleggen van) een onderhoudsplicht, de schuldige gedraging of onrechtmatige daad van de gewezen echtgenoot die de echtscheiding tot gevolg had.(zie ook Zie ook Asser/De Boer 1 1* 2010 nr. 617: Rechtsgrond)

Na de loskoppeling van de echtscheiding en de alimentatie van het schuldbegrip kwam het beginsel weer meer naar voren dat iedere volwassene in eigen levensonderhoud moet voorzien. “Dat de zelfredzaamheid van een ex-echtgenoot voorop staat, – zo stelt Salter – , heeft tot gevolg dat alimentatierecht als uitzonderingsrecht wordt beschouwd.”

Dan is er dus een rechtvaardiging nodig voor het aannemen van die uitzondering. Salter gaat in haar dissertatie ook op zoek naar rechtvaardigingsgronden voor de alimentatieplicht. Op bladzijde 1 van de “Introductie” van haar proefschrift, voert zij twee (ex-)echtparen op: het stel Lisa en David en het stel Jane en Albert.

Stel Lisa en David:

“Op de verscheurde foto staan de 35-jarige Lisa en haar twaalf jaar oudere ex-man David. Lisa en David zijn na een huwelijk van tien jaar van elkaar gescheiden. Het voormalige echtpaar leidde een zeer welvarend leven door het hoge inkomen van David, die ondernemer is in de ICT-branche. Tijdens het huwelijk heeft Lisa niet gewerkt. Op het moment dat Lisa en David in het huwelijk traden, besloot zij geheel uit eigen beweging om haar baan als verpleegkundige op te zeggen. Gedurende het huwelijk had het echtpaar een voltijdse hulp in de huishouding in dienst. Hun huwelijk is kinderloos gebleven.”

Stel Jane en Albert:

“Op de tweede verscheurde foto staat het gezin van de 35-jarige Jane in gelukkiger tijden. Na tien jaar huwelijk zijn Jane en haar voormalige man Albert van elkaar gescheiden. Jane en Albert hebben twee zonen die op het moment van de scheiding zes en twee jaar oud waren. Toen het jongste zoontje werd geboren, besloten Jane en Albert gezamenlijk dat Jane haar studie Geneeskunde zou opgeven om voor de kinderen en het huishouden te zorgen. Het jongste zoontje is namelijk gehandicapt en heeft voltijdse zorg nodig. Albert heeft zijn studie Rechtsgeleerdheid voltooid en heeft inmiddels, als partner bij een advocatenkantoor, een goed inkomen. Na de scheiding blijven de kinderen bij Jane wonen.”

Mr. Spalter stelt over deze twee stellen verder in de “Introductie” het volgende:

“De casus van Lisa is een geval waarin de eventueel door de rechter toegekende onderhoudsbijdrage zuiver is gebaseerd op de grondslag voortdurende solidariteit. Daarentegen is de casus van Jane een duidelijke situatie waarin de onderhoudsplicht is gebaseerd op de grondslag huwelijksgerelateerde vermindering van de verdiencapaciteit. Deze twee casussen zullen daarom door dit proefschrift heen dienen als illustratie van de twee grondslagen. Zoals ook in dit promotieonderzoek zal blijken, komen zulke zuivere gevallen in de praktijk bijna nooit voor, maar omwille van de duidelijkheid is in deze studie voor de casus van Lisa en Jane gekozen.”

Mr. Salter onderscheidt dus twee grondslagen voor de rechtvaardiging van het opleggen van partneralimentatie:

  • voortdurende solidariteit (Lisa en David) , gelijk te stellen met het begrip lotsverbondenheid  en
  • de huwelijksgerelateerde vermindering van de verdiencapaciteit (Jane en Albert)

Zij stelt in haar introductie ook vast dat haar proefschrift en dus ook haar opvattingen thans een onderwerp van politiek debat zijn geworden. “Mede dankzij mijn deelname aan de parlementaire Werkgroep Partneralimentatie van de VVD, PvdA en D66, is de grondslagendiscussie op de agenda geplaatst. In de initiatiefnota van deze partijen is uiteindelijk opgenomen dat de ‘nieuwe’ (en enige) grondslag van partneralimentatie de ‘compensatie voor het gedurende het huwelijk ontstane verlies aan verdiencapaciteit’ is. (..) Het gevolg hiervan is namelijk dat geen partneralimentatie meer kan worden vastgesteld als slechts sprake is van de grondslag voortdurende solidariteit.

Zo wordt de hoofdregel, dat iedere volwassene in eigen levensonderhoud moet voorzien, financieel onafhankelijk moet zijn, weer in ere hersteld. Die hoofdregel brengt met zich mee dat de plicht tot alimentatiebetaling alleen in uitzonderingsgevallen kan worden opgelegd.

Het vage criterium “lotsverbondenheid” of zo u wilt “de voortdurende solidariteit na huwelijk” vervalt dan als alimentatiegrond (de Lisa en David situatie). Een partner wordt alleen nog gecompenseerd als zijn of haar verdiencapaciteit, in vergelijking met die van de andere partner, onevenredig is verminderd door het huwelijk. Bijvoorbeeld door de onderlinge zorgtaakverdeling tijdens huwelijk.

Zo kan ik, als generalist, die nieuwe partneralimentatie beter plaatsen binnen het algemene vermogens- en verbintenissenrecht.

Soms waagt de rechter zich aan anticiperende rechtspraak (vooruitlopend op komend recht), maar anticiperen op opvattingen die weliswaar politiek steeds breder gedragen worden, maar nog niet in wetgeving zijn omgezet, gaat kennelijk te ver.

Zo kreeg ik, toen ik in een zaak, een beroep deed op deze nieuwe inzichten, van de rechter te horen:

“Meneer de Vries u bent wat te vroeg met dit betoog.”

Het hierboven geciteerde wetsartikel (art. 1:157 lid 1 BW) bepaalt echter nu al dat: “De rechter kan, dus de rechter kan ook nu al bepalen dat er geen goede grond bestaat om alimentatie op te leggen nu er in een bepaald geval geen huwelijksgerelateerde vermindering van de verdiencapaciteit bestaat

[1] “Grondslagen van partneralimentatie” is in boekvorm uitgegeven door Boom Juridische uitgevers


Het gerijpte (Zwarte Pieten-) proces

Ongeveer een jaar geleden schreef ik een column met de naam “Een column over een column“. Ik had net een artikel in een vakblad gelezen, getiteld  “Het gerijpte proces” , geschreven door Vincent van den Brink, in het dagelijks leven, raadsheer/rechter bij de Hoge Raad der Nederlanden. Het “Zwarte Pieten debat” deed mij weer denken aan dat mooie artikel van Van den Brink.

Met de burgemeester van Amsterdam, Eberhard van der Laan, hoopte ik dat het na de uitspraak van de Raad van State (12 november 2014) over die uit de hand gelopen Zwarte Pieten discussie, het gauw weer “gezellig” zou worden. De burgemeester en indirect ook de redacteur van “De Correspondent”, Daan Windhorst in zijn stuk:  “15 dingen die je niet moet vergeten in het Zwarte Pietendebat” , roepen de betrokken partijen eigenlijk op tot iets meer empathie Daar is tijd voor nodig, het proces moet rijpen, voor men in zo’n heftig debat waarin beide partijen (aanvankelijk?) overtuigd zijn van hun moreel gelijk, in staat zijn, met enige welwillendheid naar de ander te kijken. Daarom voer ik hier, met dank aan Vincent van den Brink, via mijn column, rechter Bridoye, ten tonele, een romanfiguur uit een boek van François Rabelais (Franse schrijver 1494-1553).

Gargantua-y-Pantagruel-Rabelais-Francois-9789706666192

Rechter Bridoye moest zich voor zijn collega’s verantwoorden omdat hij een onbillijk vonnis had gewezen en daar ook nog veel te lang over had gedaan. Over te trage rechtspraak wordt dus al eeuwen geklaagd. De bekritiseerde rechter verdedigt zich met een beroep op zijn ouderdom. Hij is door de jaren slechtziend geworden en kan daarom de ogen van dobbelstenen niet goed meer zien. “Welke dobbelstenen?” vragen zijn collega’s verbaasd. Antwoord: “De dobbelstenen van het recht”. Wat blijkt, Bridoye, dobbelt voor beide partijen per stap in de procedure, en uiteindelijk wint de partij met de meeste punten. Bekomen van de verbazing, vragen de collega’s van Bridoye, waarom dan toch al die lange termijnen? Als belangrijkste reden noemt hij dan, dat een proces pas beëindigd kan worden als het rijp is. De tijd is vader van de waarheid. Partijen zullen zich ook gemakkelijker schikken in het oordeel der dobbelstenen wanneer het vonnis lang op zich heeft laten wachten. Dit beeld wordt door Van den Brink opgepikt. De meeste procespartijen, zo stelt Van den Brink, beginnen een procedure met de volle overtuiging dat het gelijk aan hun zijde staat. Tenminste een van hen zal echter aan het einde van die procedure ondervinden, dat die overtuiging niet (volledig) juist was. Beide partijen gaan zich allengs, gedurende de procedure, realiseren dat hun gelijk minder vanzelfsprekend is. De verliezer zal een afwijzend oordeel, per kerende post ontvangen, moeilijk kunnen accepteren, zeker wanneer hij zich onvoldoende gehoord acht. Met het recht moet zorgvuldig en bedachtzaam omgesprongen worden, in het belang van onze rechtsstaat. Het blijft een zegen dat het gros van alle juridische conflicten eindigt in een uitspraak die ook door de verliezer grootmoedig wordt aanvaard. En ja, rechters zijn ook mensen dus ja, rechtspraak houdt iets van een dobbelspel


De Kern van de Economie

Wie aanslaat op deze titel, heeft hoogst waarschijnlijk, net als ik, Economie onderwijs gekregen op basis van dat standaardwerk van dr. A. Heertje “De Kern van de Economie 1 en 2”. In mijn geval werd dat onderwijs met zichtbare tegenzin gegeven door mijn helaas te vroeg overleden economieleraar Herman Hartkamp (zie http://bit.ly/1ssBMdi ). Een vernieuwer op het gebied van Economieonderwijs en didactiek (x min y beweging Appels en Peren), en duidelijk geen voorstander van de methode van Heertje. De economie ging destijds over Keynes versus Friedman, later over de verschil tussen het Rijnlands en Angelsaksisch model, Den Uyl en Kok versus Thatcher en Reagan. De kritische leraar Herman Hartkamp had mij wel tot een kritisch denkende leerling gemaakt en daar ben ik hem nog steeds dankbaar voor. Hij was toch mijn “John Keating”  gespeeld door wijlen Robin Williams, die bevlogen leraar uit “The dead poet society” gespeeld door Robin Williams.

Na mijn eindexamen moest ik mij nog een keer in de Economische theorie verdiepen, bij het vak Economie tijdens mijn Rechtenstudie, daar op basis van een ander standaardwerk: “Economie in theorie en praktijk” van dr. J.E. Andriessen. Daarna raakte de economie bij mij wat op de achtergrond, al hield ik mijn politieke belangstelling.

En toen kwam  Thomas Piketty. Geen woord over X- en Y assen, winstmaximalisatie of  multipliereffect, maar des te meer over de groeiende verschillen in vermogens. Die Piketty-hype laat ik verder nog maar even voor wat die nog is, een boek en een gedachte waaruit door politici vrij selectief wordt geshopt. Piketty wakkerde wel weer mijn interesse voor de economie aan en waarschijnlijk daardoor viel mijn oog op een stuk van Arnold Heertje in de  De Gids 6-2014 , over “Humanisering, van utopie tot architectuur”. Uit dat stuk bleek, en dat was mij dus ontgaan, dat Heertje zich heeft verdiept in de Andragologie. “Bien étonnés de se trouver ensemble”, ik zag dat vakgebied, net als de “Niet Westerse Antropologie”, al dan niet terecht, toch een beetje als zo’n “geitenwollensokken-hobby” uit de 60er jaren (Margaret Mead en zo).

Dat artikel in de Gids heb ik met aandacht gelezen en die gedachte van het in dat artikel beschreven “Mechanism Designd”,  was een openbaring voor mij.  Al vond ik de theorie over het “als of” gedrag wel wat cultuurpessimistisch. De samenleving zou niet verlangen dat mensen intrinsiek betrouwbaar, eerlijk en integer zijn. “Voor het sociaal en economisch handelen is het noodzakelijk en voldoende dat mensen zich gedragen alsóf zij eerlijk, betrouwbaar en integer zijn. Of de mensen het werkelijk zijn, is voor de afloop van de economische en sociale activiteiten niet van belang en evenmin controleerbaar.”

Vervolgens introduceert Heertje hier dan het leerstuk van “mechanism design” een soort “social engineering” dus toch weer geloof in de “maakbaarheid van de samenleving” . De wetenschappelijke theorieën van dat “mechanism design” zijn weer minder aan mij besteed, dat gold ook voor die winstmaximalisatie uit “de Kern” met differentiëren. Ik was en blijf een puur verbaal ingestelde Alfa. Maar bij zijn zeer eenvoudige voorbeelden: het verdelen van de taart en de toiletpotvlieg, kon ik mij wat voorstellen.

Zo doceert Heertje: “Ouders die hun twee kinderen een taart geven en de verdeling overlaten aan de vrijheid van de kinderen, lokken slechts een conflict uit. Wil men de verdeling zonder conflicten tot stand brengen, dan volstaat de prikkel: ‘Kind A deelt en kind B kiest.’ Een inhumane ‘ bevelseconomie’ wordt op die manier vermeden ten gunste van een humane oplossing.”

urinoir-s-gravenvoeren-101

Heertje noemt ook die “ingebakken” zwarte vlieg in de toiletpot of in het urinoir. “Het zwarte vliegje is een humane architectuur vergeleken met het alternatief waarin het gewenste gedrag met harde hand wordt afgedwongen door gebodsbepalingen. Het zwarte vliegje is een voertuig voor communicatie. De mannen geven informatie prijs door ongedwongen op het vliegje te mikken bij het urineren.”

Eigenlijk deed de te vroeg overleden verkeersdeskundige Monderman hetzelfde. Monderman geloofde ook meer in meer humanere vormen van gedragsbeïnvloeding dan die inhumane verkeersgeboden en verboden (http://bit.ly/1ALXdza ). Monderman creëerde ook situaties die de mensen stimuleren om de sociaal gewenste en verkeerstechnisch juiste keuzes te maken.

Bij mij kwam al lezend ook dat begrip “nuding” bovendrijven. Heertje pleit ervoor deze technieken van gedrags- en keuze beïnvloeding die dus werken bij het verdelen van de taart en in het urinoir ook in te zetten bij het streven naar het wereldwijd tot stand brengen van een circulaire of kringloopeconomie. Hij concludeert dan ook “dat de economische wetenschap indrukwekkende bouwstenen aanreikt voor het humaniseren van de wereld. Bouwstenen voor één wereld vol verscheidenheid met ruimte voor iedereen en met meer perspectief op een leefbare samenleving.”

Met dank aan “De Gids” , Arnold Heertje en bovenal aan mijn eerder genoemde economieleraar, Herman Hartkamp, die mij dus kennelijk een blijvende interesse voor de economie heeft bijgebracht.


Stick to the facts

De feiten

Gelukkig kennen de meeste rechterlijk uitspraken een onderdeel waarin eerst feiten op een rijtje gezet worden. Daarna volgt vaak een weergaven van de meningen van de beide partijen, vervolgens komt het rechterlijk oordeel. De rechter waakt ervoor dat feiten en meningen niet door elkaar gaan lopen.

Anders dan in de wetenschap en de rechtspraak, komen de feiten in de politiek meer en meer in het gedrang. Politici kunnen hun kiezers steeds moeilijker overtuigen van het feit dat ingewikkelde zaken beter aan deskundigen overgelaten kunnen worden en dat die deskundigen ook vertrouwd moeten worden. Terwijl die burgers lijken te denken dat zij “toch ook even veel recht van spreken hebben als al die elitaire deskundigen in witte jassen of mooie pakken. Een wetenschappelijke stelling is toch ook maar een mening!?” De media waaien met deze “fact free” wind mee en treden hier zelden corrigerend op. Ze laten bijvoorbeeld, na een vaccinatie oproep van de deskundige medicus op het gebied van baarmoederhalskanker, een ongeruste moeder aan het woord die haar dochter niet laat vaccineren van dat vaccin. Op het internet las zij baarlijke nonsens over de bijwerkingen van dit vaccin. Die medicus heeft er toch voor “doorgeleerd” en die moeder niet.

Fact free politics is in Amerika al eerder regel dan uitzondering, maar gelukkig blijven de rechters zich daar nog wel aan de feiten houden. De gouverneur van Maine die aan een uit ebola-gebied teruggekeerde verpleegkundige een verplichte quarantaine van 3 weken had opgelegd, inclusief politiebewaking, werd door de rechter teruggefloten. De verpleegkundige vertoonde geen enkel verschijnsel van een ebola-infectie, en kon zolang dat het geval was, de ziekte dus ook niet overdragen. Een onbetwist wetenschappelijk feit. Kan wel wezen, moet de gouverneur gedacht hebben, maar mijn kiezers zijn bang en dat weegt voor mij zwaarder dan de vrijheid van de verpleegkundige. Niet voor de rechter dus, gelukkig. Die stelde zeer genuanceerd vast  dat de angst voor de verspreiding van ebola in de VS  “niet helemaal rationeel is”.

Soms zijn zaken gewoon complex en vereist het kennis, studie en een genuanceerde afwegingen om in zo’n ingewikkelde kwestie tot het juiste oordeel te komen. Rechters weten dat en handelen daarnaar. In de politiek is vaak pas ruimte voor een genuanceerde afweging tijdens de behandeling in de Eerste Kamer.